Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Joodse geschiedenis

Viering: 30ste zondag door het jaar

Lezingen:

  • Jeremia 31, 7-9
  • Marcus 10, 46-52

Geschreven door: Dr. J. Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,

Al meer dan een halve eeuw is het Midden- Oosten een regio vol politieke spanningen, aanslagen, oorlogen en dreiging van oorlogen. We horen dagelijks over de politieke machten in deze regio, Israël, Syrië, Irak, Iran en Egypte. Als we naar de geschiedenis van het bijbelse Israël kijken in de periode van 700 tot 500 v.Chr. dan passeren dezelfde namen de revue.
Het huidige Syrië, Irak en Iran waren destijds de grootmachten Assyrië, Babylon en het rijk van Meden en Perzen die na elkaar het hele Midden -Oosten beheersten.
U begrijpt dat er ook toen al in deze regio grote politieke onrust en spanningen waren en dat het kleine Israël voortdurend bedreigd werd door de grootmachten.
In deze tijd rond 625 v.Chr. wordt Jeremia tot profeet geroepen. Jeremia staat bekend als de profeet van het klagen en we spreken zelfs over een jeremiade. Toch is zijn klagen niet ongegrond en is het in de eerste plaats een aanklacht en een waarschuwing. Jeremia heeft een realistische kijk op de politieke ontwikkelingen en kent de geschiedenis.
Een eeuw daarvoor zijn de tien stammen van het Noordrijk overmeesterd door Assyrië, Samaria is gevallen en de bevolking weggevoerd. Het Zuidrijk Juda, een klein gebied rondom Jeruzalem, komt in een hachelijke situatie want het grenst nu direct aan het gebied van Assyrië. In de tijd dat Jeremia begint te profeteren komt een nieuwe grootmacht op,
het Babylonische rijk en dat betekent nieuwe spanningen.

Door de profeten wordt de historische situatie waarin Israël zich bevindt, steeds vanuit het geloof geïnterpreteerd. God heeft een verbond gesloten met zijn volk en heeft het de Thora gegeven als leefregel om het verbond te onderhouden. Als het volk het verbond nakomt dan mag het in vrede wonen in het Land dat de Heer als erfdeel gegeven heeft.
Dan zal God de volken die Israël omringen op een afstand houden.
Maar we zien in de bijbel vaak dat het Joodse volk het verbond niet nakomt, hinkt op twee gedachten, andere goden achterna loopt en recht en gerechtigheid met voeten treedt.
Als het volk ontrouw is aan het verbond dan geniet het ook niet meer de beschermende kracht van God. De vijanden van Israël worden dan werktuigen in de hand van God om het volk te straffen en tot inkeer te brengen. Wie ontrouw is aan het verbond, niet leeft met God,
die vindt dood en ballingschap. Dat geldt niet alleen voor het Joodse volk maar ook voor ons. Wat houdt ons af van de dingen die werkelijk belangrijk zijn in ons leven, waardoor we ons als mens ten volle kunnen ontplooien en ons innerlijk verrijken. In de Thora staan twee dingen centraal, de band met God en die met de naaste, de ander. Het is niet goed dat de mens alleen is. De mens kan pas ten volle mens worden in dialoog en samenwerking met de ander.
De Franse filosoof Gabriel Marcel heeft eens gezegd: de ander is mijn toekomst. Hij is mijn toekomst omdat hij mij hoop kan geven.

De profeten wijzen het volk op zijn fouten, klagen het aan en roepen op tot bekering.
Dan kan het tij misschien nog gekeerd worden. In de tijd van Jeremia neemt de druk van het Babylonische rijk toe en Juda wordt een vazalstaat. Jeremia dringt er bij de regering in Jeruzalem op aan zich in deze situatie rustig te houden om erger te voorkomen.
Zijn woorden worden in de wind geslagen en een coalitie van vorsten zoekt zelfs steun bij Egypte tegen Babylonië.
Het volk komt niet tot inkeer en Jeremia kan niets anders zeggen dan dat het oordeel niet meer ontlopen kan worden. Het oordeel komt en Jeremia is er getuige van. Een eerste wegvoering van het volk naar Babel in 598 v. Chr. en een tweede in 586 v. Chr.
De hoofdlaag van de bevolking weggevoerd in ballingschap, Jeruzalem en de tempel verwoest. Het land is leeg en het hart van de Joodse religie, de tempel, is niet meer.

Is dit het einde van het volk van God of kan er nog hoop zijn. Zelfs Jeremia die alle ellende gezien heeft, spreekt toch nog woorden van hoop. De Heer zegt: Ik breng een keer in het lot van de tenten van Jakob en over zijn woningen zal Ik mij ontfermen: de stad zal op haar puinheuvel herbouwd worden en de burcht op zijn rechte plaats tronen. We horen de dichter van Psalm 85. Gij zijt uw land goedgunstig geweest, o Heer, in het lot van Jakob hebt Gij een keer gebracht. Gij hebt de ongerechtigheid van uw volk vergeven, al hun zonden bedekt. Gij hebt weggedaan al uw verbolgenheid, u afgewend van uw brandende toorn.
Jeremia kent de geschiedenis van God met zijn volk en weet dat God bevrijdt, redt en vergeeft. En daarom hoopt en gelooft hij dat God dit ook in de toekomst zal doen.

Wij verbreken zijn verbond, zijn ontrouw, maar God is trouw tot in eeuwigheid en laat niet varen de werken van zijn handen. Als we oprecht berouw hebben dan mogen we weten dat we opnieuw met een schone lei mogen beginnen zoals in de parabel van de verloren zoon.
Zo is het ook altijd met Israël gegaan. God laat Israël wel aan den lijve ondervinden wat de consequenties zijn van het verbreken van het verbond namelijk dood en ballingschap. Maar als zijn volk tot inkeer komt, laat hij het niet ten onder gaan maar is een vergevende en bevrijdende God.

Zoals God eens zijn volk heeft uitgeleid uit het diensthuis van Egypte, zo zal er een tweede uittocht zijn. God zegt: Ik heb u liefgehad met eeuwige liefde, daarom heb Ik u getrokken in goedertierenheid. Weder opbouwen zal Ik u zodat gij gebouwd wordt, jonkvrouw Israëls. God zal zijn verstrooide volk verzamelen en het behoeden als een herder.
God als herder heeft ook een bijzonder oog voor de zwakken en kwetsbaren. Hij verzamelt niet alleen de sterken. In de stoet gaan ook blinden, lammen, zwangere en barende vrouwen.
Zij worden met name genoemd omdat het naleven van de Thora inhoudt dat de kwetsbaren in de samenleving bijzondere aandacht moeten krijgen.

De profeet Jeremia spreekt zelfs over een nieuw verbond. God zal een nieuw verbond met Juda en Israël sluiten. Niet zoals het verbond dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond dat zij verbroken hebben, alhoewel Ik heer over hen ben. Het nieuwe verbond houdt in dat de Heer zijn wet in hun binnenste zal leggen en die in hun hart schrijven. Bij het eerste verbond is Israël steeds ontrouw geweest en heeft de band verbroken. Het heeft letterlijk en figuurlijk het verbond niet ter harte genomen. Het nieuwe verbond wordt een innerlijk verbond. De wet wordt in hun hart geschreven zodat ze er niet meer onderuit kunnen. Het eerste verbond had het uiterlijke teken van de besnijdenis, het nieuwe verbond heeft als innerlijk teken de besnijdenis van het hart.

Bij het eerste verbond wordt gezegd: Gij zult de Heer, uw God liefhebben met geheel uw hart, met geheel uw ziel en met al uw kracht. Steeds horen we: bewaar deze woorden in uw hart. Maar Israël en wij hebben dat zo vaak niet gedaan. Het Woord raakte ons niet ten diepste en we maakten ons los van het verbond, los van God.
Maar wie gegrepen is door God, kan niet zomaar weer loskomen van God. Echt geloven is geen uiterlijke zaak. We kunnen ons er niet van ontdoen als van een mantel. God heeft zijn leefregels, de Thora in ons hart geschreven.
We kunnen er niet onderuit en als het goed is willen we er ook niet onderuit omdat ze tot ons innerlijk zijn gaan behoren. Zoals ons hart en onze huid bij ons behoren en we er niet zonder kunnen leven, zo kunnen we ook niet leven zonder het geloof dat God in ons gelegd heeft als een vaste grond.
Dan is de Thora geen last meer maar mogen we dankbaar zijn dat God deze vaste grond van het geloof gegeven heeft. In de synagoge wordt op het feest van de Vreugde der Wet gedanst met de Thorarollen als met een bruid. En we denken aan het Hooglied: leg mij als een zegel aan uw hart, als een zegel aan uw arm want sterk als de dood is de liefde.
Jeremia moet zelf deze vaste grond en innerlijke kracht van het geloof gehad hebben anders had hij ondanks alles niet zulke woorden van troost en hoop kunnen spreken.

Deze vaste grond van het geloof is er ook bij de blinde bedelaar Bartimeüs die bij de poort van Jericho zit. Jezus verlaat met een grote schare de stad Als de blinde hoort dat het Jezus van Nazareth is, begint hij te roepen: Zoon van David, Jezus, heb medelijden met mij, eleison.
De omstanders bestraffen hem en willen dat hij zijn mond houdt. Maar hij laat zich de mond niet snoeren en roept des te meer: Zoon van David, heb medelijden met mij.
Bij de uitdrukking "Zoon van David" in de mond van Bartimeüs, moeten wij in de eerste plaats denken aan een eervolle aanspreektitel waar we zeker geen Messiasbelijdenis in moeten zien. Hij spreekt even later Jezus eenvoudig aan met rabboeni, meester.
De eerste Joods-christelijke lezers van dit verhaal zullen nog aan wat anders gedacht hebben. Er is de verwachting dat eens het vredesrijk van David in alle luister hersteld zal worden.
Wie is de eigenlijke zoon van David ? Salomo, de koning van de wijsheid. De komende Davidszoon heeft trekken van de wijze Salomo, drijft geesten uit en doet grote wonderen.
Een bekende uitdrukking was: Salomo, zoon van David, heb medelijden met mij.

Jezus hoort zijn eleison, staat stil en vraagt aan de omstanders hem te roepen.
Ze roepen de blinde en zeggen : houd moed, sta op, hij roept u. Jezus roept de blinde niet direct bij zich maar doet dit via de omstanders. De omstanders die Bartimeüs belet hebben Jezus te roepen moeten hem nu roepen in opdracht van Jezus. De omstanders die de blinde bedelaar van Jezus vandaan wilden houden, worden als het ware door Jezus beleerd en bekeerd. Eerst afwerend, spreken ze nu de blinde moed in, zeggen hem op te staan omdat Jezus hem roept.
De man om wie niemand zich ooit bekommerd heeft, wordt geroepen en wel door Jezus op wie hij al zijn hoop gevestigd heeft. Ineens wordt hij springlevend, werpt zijn mantel af, springt op en gaat naar Jezus toe.
Hij heeft zoveel moeite gedaan om bij Jezus te komen en als hij voor hem staat vraagt Jezus: wat wilt gij dat ik u doen zal ? Voor de blinde eigenlijk een overbodige vraag maar aan de andere kant ook de mooiste vraag die in zijn leven gesteld kan worden. Dan antwoordt hij met de wens die heel zijn leven vervult, waar heel zijn verlangen naar uitgaat, dat het onmogelijke mogelijk wordt. Rabboeni, dat ik ziende worde !
We horen twee keer "ontferm u" en de derde keer "dat ik ziende worde". Het is bijna een combinatie van ons Kyrie en Lam Gods. Ontferm u over ons, ontferm u over ons, geef ons de vrede. Geef ons een toekomst van gerechtigheid, van heil, van licht.

Dat de blinde ziende wil worden, ligt voor de hand. Maar ik denk ook aan de vraag die God aan de jonge koning Salomo in een droom stelt: wat zal ik u geven? Omdat hij niet om de dood van zijn vijanden vraagt, niet om rijkdom en niet om een lang leven, maar om wijsheid om te kunnen rechtspreken, wordt die hem ook geschonken.
Wat kan het verhaal van de blinde bedelaar betekenen voor ons die zien ?
Wat zouden wij antwoorden als aan ons de grote vraag gesteld wordt:
"wat wilt gij dat ik doen zal" of "wat zal ik u geven". Wat vinden wij in ons leven uiteindelijk het belangrijkste. Hoe kunnen we ten volle mens worden in dialoog met de ander en met God. Hoe dragen wij in deze wereld bij aan recht en gerechtigheid ?
Steeds weer moeten wij ons deze vragen stellen. Wanneer wij deze vragen uit het oog dreigen te verliezen en ziende blind zijn, moeten ook wij vragen: Rabboeni, dat ik ziende worde.

In het evangelie van Marcus zien we duidelijk dat Jezus niet alleen mensen van hun lichamelijke gebreken en kwalen geneest. Het gaat om meer. Het eerste wonder dat Jezus doet is het uitdrijven van boze, onreine geesten. Alles wat een belemmering vormt om de blijde boodschap die Jezus verkondigt te verstaan en te doen, moet weggenomen worden.
De melaatse zal als hij genezen is geen verstotene meer zijn maar mag weer deel uitmaken van de samenleving, mag weer mens zijn met de ander. Zo is het ook met de verlamde, de vrouw met de vloeiingen en de doofstomme.
Het laatste wonder dat Jezus doet is de genezing van de blinde Bartimeüs. Jezus geneest de blinde en zegt: ga heen, uw geloof heeft u behouden. Hij, wiens leven gehuld was in duisternis, hij die het licht niet kon zien, had wel het innerlijke licht van het geloof.
Nu hij zien kan en deel kan uitmaken van de samenleving is hij ook in staat dat geloof uit te dragen door Jezus te volgen. Ook wij die vaak ziende blind zijn mogen door de genade van het geloof ziende worden.

Zoals de ballingen met vreugde terugkeren zo zal Bartimeüs vol vreugde Jezus gevolgd zijn.
Jezus gaat op naar Jeruzalem, de stad van sjaloom, van vrede en gerechtigheid.
Hij maakt blinden ziende opdat ze Hem volgen, navolgen op zijn weg. Door Jezus gebeuren op de weg die Hij gaat vrede en gerechtigheid, geschiedt heil, worden mensen genezen, geheeld, heel, ten volle mens.
Als wij Jezus willen volgen op zijn weg van heil dan zullen ook wij verlost worden uit onze ballingschap, bevrijd van onze verslavingen. De grote vraag is echter: willen wij Gods aanbod van heil aannemen, willen we open staan voor zijn Woord, het horen en het in ons hart bewaren en er naar leven. Willen wij werkelijk gegrepen worden door zijn Woord, innerlijk geraakt, willen we het verstaan en ziende worden ? Amen.
Archief preken