Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

2e zondag van pasen

Viering: Ongelovige thomas

Lezingen:

  • Handelingen 5, 12-16
  • Johannes 20, 19-31

Geschreven door: Dr. J.Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,
Als we de vier evangeliën van het N.T. bekijken, zien we dat de eerste drie, Mattheüs, Marcus en Lucas grote overeenkomsten vertonen en met elkaar vergeleken kunnen worden omdat verhalen of stukken van verhalen vaak dezelfde zijn. We spreken wel van de synoptische evangeliën dat wil zeggen die samen gezien kunnen worden, naast elkaar gelegd.
Het evangelie van Marcus is het eerst geschreven nog voor de verwoesting van de tempel in het jaar 70. Het laatste evangelie is dat van Johannes geschreven rond 95 meer dan zestig jaar na de dood van Christus. In al deze jaren zijn bijzaken van de hoofdzaak gescheiden.
De evangeliën zijn geen journalistiek, geen historisch verslag en dat geldt voor het evangelie van Johannes in het bijzonder. De historische vraag naar het leven van Jezus, de vraag wat er feitelijk gebeurd is, is voor de evangelisten en ook voor ons niet van belang. De evangelisten hebben zoveel jaar na de dood van Christus opgeschreven wat er met hen gebeurd is, hoe zij geraakt, gegrepen zijn door de woorden en daden van Jezus, hoe het hun veranderd heeft en hoe Hij in hen verder leeft. Zo wordt het verhaal over Jezus een getuigenis, een belijdenis van mensen die in Jezus geloven en dat geloof willen verkondigen.

Het evangelie van Johannes neemt een bijzondere plaats in omdat zijn getuigenis een diepgang heeft die bijna mystiek te noemen is. We denken aan het begin van zijn evangelie met de diepgaande gedachten over het Woord.
In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.
Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden dat geworden is. In het Woord was leven en het leven was het licht der mensen en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet aanvaard, niet begrepen. Zoals in Genesis is het Woord, Gods scheppend woord, daad.

Dit Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene van de Vader, vol van genade en waarheid.

Twee sleutelwoorden die voor Johannes centraal staan treffen we hier al aan: waarheid en heerlijkheid. Jezus zegt tegen Pilatus dat hij gekomen is om te getuigen voor de waarheid.

Waarheid niet als een abstract begrip maar als een waarheid die geleefd wordt door mensen in waarachtigheid en echtheid. Waarheid staat tegenover leugen, dat wil zeggen door oppervlakkigheid en onverschilligheid niet toekomen aan de volledige en diepste ontplooiing van jezelf, niet ten volle mens worden door te blijven steken bij jezelf en je niet te richten op de ander en op God.

Johannes spreekt in tegenstellingen: waarheid en leugen, licht en duisternis, leven en dood. Waarheid betekent licht en leven, leugen, onwaarachtigheid geestelijke duisternis en dood. Wie de waarheid doet gaat tot het licht opdat van zijn werken blijke dat zij in God verricht zijn. Jezus is een levend getuigenis van de waarheid, hij is de waarheid en probeert mensen tot de waarheid te laten komen opdat ze weer waarachtig mens zijn. Heel zijn leven verwijst Jezus naar zijn Vader van wie hij de kracht en volmacht gekregen heeft om zijn daden van heil hier op aarde te verrichten. Het is de taak van Jezus om door zijn daden van heil de heerlijkheid, de glorie van God te openbaren.

Wat is de heerlijkheid van God ? Ik denk dat de heerlijkheid van God tenslotte zijn peilloze liefde voor ons is. Maar liefde en lijden horen bij elkaar. Voor Johannes wordt de heerlijkheid van God ten volle openbaar op het kruis. De via crucis is de via lucis, de weg van het kruis is de weg van het licht. Als Jezus op het kruis sterft zegt hij: het is volbracht. Dat betekent niet alleen dat het lijden voorbij is. Hij heeft in volledige gehoorzaamheid de wil van zijn Vader volbracht en ten einde toe zijn taak op aarde vervuld en de heerlijkheid van zijn Vader geopenbaard. Wat Jezus moest doen, heeft hij gedaan en door zijn daden van heil, waarachtigheid, gerechtigheid en liefde heeft hij ons de weg gewezen naar de Vader, heeft hij laten zien hoe de Vader is. Wie mij kent, kent de Vader. Niemand komt tot de Vader dan door mij. Bij Johannes is Jezus heel direct en radicaal. Wie in Jezus gelooft en hem volgt zal nooit in de duisternis wandelen maar hij zal het licht van het leven hebben. Wie het licht niet aanvaardt, veroordeelt zichzelf tot de duisternis en de dood.

Wie in Jezus gelooft en hem volgt heeft direct deel aan hem en aan dat wat hij is, het licht, de waarheid en het leven. Ja, wie in hem gelooft, heeft eeuwig leven, niet als een verre belofte maar hier en nu.

Martha, de zuster van de gestorven Lazarus weet van de opstanding op de jongste dag. Jezus zegt tot haar: ik ben de opstanding en het leven; wie in mij gelooft zal leven ook al is hij gestorven en een ieder die leeft en in mij gelooft, zal in eeuwigheid niet sterven.

Voor ons is het moeilijk te begrijpen dat bij Johannes de openbaring van de heerlijkheid van de Vader haar hoogste voltooiing vindt op het kruis. Daarom zegt Jezus: het is volbracht. Alles is gezegd en geopenbaard. Hoe vreemd het misschien ook klinkt, bij Johannes ligt niet de nadruk op Pasen. Jezus is de opstanding en het leven en wie in Jezus gelooft heeft daar direct deel aan. Bij Johannes is Pasen slechts een toegift. Het is als met een boek. We hebben het gelezen maar nog niet begrepen en hebben uitleg nodig. We hebben het getuigenis van Johannes gehoord, we hebben de woorden van Jezus in al hun directheid gehoord, maar we kunnen nog niet geloven dat ze waar zijn. We kunnen ze nog geen plaats geven in ons levensverhaal waar dood en leven tegenover elkaar staan.
Daarom is er bij Johannes de toegift van het verhaal van de opstanding en de verschijning aan de discipelen.

Op de avond van de verrijzenis verschijnt Jezus aan zijn discipelen en het eerste wat hij zegt is: vrede zij u. Dit is meer dan een groet. Vrede, sjaloom. In het O.T. mag het Joodse volk in vrede wonen in het land als het het verbond met God bewaart en gerechtigheid doet, als de relatie met de naaste en met God in orde is. Dan mag ons hart dat onrustig is, rust vinden in God. Als Jezus zijn discipelen vrede toewenst, dan stelt hij deze vrede in de volle betekenis van het woord aanwezig. Dan is de volheid van het heil aanwezig, dan is er heelheid voorbij het lijden en de dood. Jezus laat hen de tekenen van het lijden, zijn handen en zijn zijde zien en ze zijn verblijd omdat ze de Heer zien.

Bij de andere evangelisten krijgen de discipelen de zendingsopdracht bij de Hemelvaart en de Heilige Geest met Pinksteren. Bij Johannes gebeurt het tegelijk. Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zend ik ook u. Daarna ontvangen ze de Heilige Geest. Bij Johannes vallen Pasen en Pinksteren op één dag. Waarom ? Zonder het inzicht en de wijsheid van de Heilige Geest kunnen wij niet openstaan voor het mysterie van Pasen. Alleen door de kracht van de Heilige Geest kunnen wij zien met de ogen van het geloof.

Thomas is er niet bij op de avond van de verrijzenis als Jezus aan zijn leerlingen verschijnt en ze zeggen tegen hem: we hebben de Heer gezien. Thomas gelooft het niet en wie zou het wel kunnen geloven. Thomas wil het evenals de andere discipelen eerst zien met zijn eigen ogen. Indien ik in zijn handen niet zie het teken van de nagels en mijn vinger niet steek in de plaats van de nagels en mijn hand niet steek in zijn zijde, zal ik geenszins geloven.

Acht dagen later zijn de discipelen weer bij elkaar en ook Thomas en weer verschijnt Jezus in hun midden en wenst hen vrede. Jezus wil dat Thomas de tekenen van het lijden ziet en voelt en niet langer ongelovig maar gelovig is. Dan belijdt Thomas: mijn Heer en mijn God.
Zowel op de avond van de verrijzenis als op de avond acht dagen later zijn de discipelen achter gesloten deuren bij elkaar en Jezus staat in hun midden.
De verrezen Christus heeft een opstandingslichaam, een geestelijk lichaam maar ook een menselijk lichaam. Ondanks de verrijzenis zijn de tekenen van lijden niet uitgewist.

Ze moeten gezien worden en het lijden mag niet vergeten worden. Hier wordt benadrukt dat Jezus als echt mens met een menselijk lichaam geleden heeft en ook na de verrijzenis geest en lichaam is. Daarom staat in de geloofsbelijdenis: ik geloof in de verrijzenis van het lichaam. Het is niet-christelijk om te denken dat het na de dood alleen om de geest gaat. Bij de mens horen lichaam en geest bij elkaar en ook na dood en verrijzenis mogen wij geloven dat ons lichaam zijn voltooiing zal vinden in God als een verheerlijkt, onsterfelijk lichaam.
Het verhaal besluit met de indringende vraag van Jezus: Omdat gij mij gezien hebt, hebt gij geloofd ? Zalig zij die niet gezien hebben en toch geloven.

Is Thomas nu werkelijk zo ongelovig ? De andere discipelen hebben een enorme voorsprong gehad. Ze hebben Jezus gezien en hebben de Heilige Geest ontvangen. Door de kracht en het inzicht van die Geest is de verschijning van Jezus voor hen tot een werkelijkheid geworden en kunnen ze ten volle belijden: we hebben de Heer gezien. Dit getuigenis zou zonder de kracht van de Geest nooit mogelijk zijn geweest. Thomas die de Heilige Geest nog niet ontvangen heeft, tast nog in het duister.

Het is heel menselijk om te denken: eerst zien en dan geloven. Maar goed beschouwd liggen zien en geloven in twee aparte werelden. In de wereld van het zintuiglijke zien, van observatie, van exacte kennis verwerven door wegen en meten, is geen plaats voor geloven en dat is ook niet wenselijk. Het geziene is wat het is, neergelegd in de eenduidigheid van wetmatigheden en formules en dan is er niets meer te geloven.

In de wereld van de religie gaat het om diepere betekenissen, om woorden en symbolen die verwijzen naar een op velerlei wijze te duiden werkelijkheid. Iemand die van het geloof niets weet en hier op zondagochtend in de kerk zit, zal er niet veel van begrijpen. Hij ziet brood en wijn maar voor hem verwijzen ze naar niets. Ze zijn wat ze zijn. Voor ons krijgen ze een diepere betekenis en worden tekenen die verwijzen naar Christus vanuit onze achtergrond van het geloof. In de religie geldt: eerst geloven en dan pas kunnen we zien. Zien met de ogen van het geloof.
Niet blijven staan bij de oppervlakkigheid en onverschilligheid van het leven, van koele berekening, maar zien onder de oppervlakte, dieper graven in de werkelijkheid om ons heen en in onszelf. Zo zullen we ondanks een wereld die hard is en hopeloos schijnt, hoop, verlangen, vertrouwen en liefde vinden.

Door de Heilige Geest krijgen wij de kracht en het inzicht van het geloof en kunnen wij zien met de ogen van het geloof. Daarom kunnen de discipelen in de mens die hen de tekenen van zijn lijden toont de Heer herkennen en belijden: we hebben de Heer gezien.

Door het geloof krijgt ons zien perspectief, zien we niet alleen de feiten van het lijden maar tegelijkertijd heerlijkheid, verrijzenis; zien we niet meer in tegenstellingen maar tezamen duisternis en licht, dood en leven.

Het is onze taak dat perspectief van geloof, hoe moeilijk het ook is, een plaats te geven in ons leven, dat het verhaal van Jezus een deel van ons levensverhaal wordt en we het door kunnen geven. Nogmaals, het gaat er niet om wat feitelijk gebeurd is maar hoe Jezus in ons voorleeft, hoe wij geloven in het getuigenis van de discipelen: wij hebben de Heer gezien. Hij die gezegd heeft, ik ben het leven en de opstanding. Het gaat erom wat er met ons gebeurd is. Willen wij openstaan voor de kracht van de Heilige Geest en zien met de ogen van het geloof, zien met het perspectief dat het geloof ons geeft ? Als we zo zien dan kan het mysterie van Pasen, dood en leven, de verrezen Christus, in ons leven ervaren worden en voor ons werkelijkheid worden. In dit geloof als een persoonlijke keuze en inzet hebben we deel aan de opgestane Heer.
Op grond van dit geloof mogen we met de Kerk door alle eeuwen heen belijden: de Heer is opgestaan, ja Hij is waarlijk opgestaan, alleluia ! Amen.
Archief preken