Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Het is de Heer, de Heer van de liefde.

Viering: 3e zondag van Pasen

Lezingen:

  • Handelingen 5, 27b-32.40b-41
  • Johannes 21, 1-19

Geschreven door: Pastor Colm Dekker

Er zijn veel dingen die wij moeilijk vinden, er zijn veel dingen waar we tegenop zien. Om onszelf te beschermen tegen teleurstellingen denken we daarom al gauw: Dat kan ik toch niet. Dat zou dan meteen een goede reden kunnen zijn om er maar helemaal niet aan te beginnen.
Ik kan niet schilderen, ik kan niet zingen, ik heb geen geduld om naar iemands verhaal te luisteren, ik ben niet geschikt om zieke mensen te bezoeken, ik kan geen leiding geven, ik ben niet zo goed in sporten, het kost me moeite om aardige te zijn, ik vind het moeilijk om iemand op te bellen, ik ben niet zo heel gelovig.
En al die redenen kunnen voor mij het perfecte excuus zijn om in plaats daarvan maar gewoon door te gaan met wat ik altijd al deed.

Als wij dat ooit bij onszelf zouden willen veranderen, dan is de Paastijd daar de beste tijd voor. Luister maar wat er met Petrus en de anderen gebeurde. Zij werden - net als wij op onze beste momenten - gegrepen door Jezus, en - net als wij op onze beste momenten - waren ze hem gaan volgen. Wij doen dat hier op zondagmorgen, we doen dat af en toe door een moment van gebed, en ook soms door iets voor een ander te betekenen. Petrus en andere leerlingen deden dat toen doordat zij letterlijk met Jezus waren meegegaan. Zij hadden naar zijn verhalen geluisterd, zij waren onder de indruk geweest van zijn liefde voor alle mensen, hoe hij telkens weer in elke ontmoeting zijn hart had geopend voor wie in nood was, voor wie naar hem toekwam, soms met een duidelijk gebrek, soms met een verborgen noodkreet, en altijd weer had Jezus hen weten te raken, weten te genezen, had hij hen tot nieuw leven gebracht. Het had Petrus en zijn vrienden gelukkig gemaakt om zo met Jezus te mogen leven, maar ze hadden geleidelijk aan ook gemerkt dat niet iedereen daar blij mee was, dat er tegenkrachten ontstonden, jaloerse mensen die leugens over Jezus verspreiden, die probeerden mensen tegen hem op te zetten. Ze hadden ook gezien hoe Jezus daar mee omging, hoe het hem bang kon maken, maar ook dat hij daardoor niet veranderde, maar in vertrouwen op zijn hemelse Vader verder ging met zijn boodschap van hoop en liefde.

Jezus had ze geroepen om hem te volgen, en dat hadden ze gedaan. Jezus had ze uitgezonden om net zo te doen als hij deed - op pad gaan met zijn boodschap van vrede en mensen genezen - en dat hadden ze gedaan. Jezus had ze meerdere keren uitgelegd dat hij zou moeten lijden en sterven, dat hij alleen zo tot zijn echte hoogtepunt, tot het doel van zijn leven kon komen, en ze hadden zich hiertegen verzet. En uiteindelijk hadden ze moeten meemaken dat Jezus gevangengenomen werd, dat Judas, een van hen, hem had verraden, en dat hij daarna was mishandeld en vermoord, als een misdadiger aan het kruis geslagen. Petrus zelf had die avond driemaal achter elkaar gezegd dat hij Jezus nooit had gekend. Het was gebeurd uit angst, omdat hij bang was dat ze hem ook zouden pakken, en hij had er vreselijke spijt van gehad, maar toch ... het was wel gebeurd. Hij had Jezus in de steek gelaten, hij had hem verraden, en had het nooit meer goed kunnen maken.

Daarna waren die ongelooflijke verhalen gekomen dat Jezus leefde, dat zijn graf leeg was, maar ja, dat was toch maar vrouwenpraat, of misschien een teken van hun grote verdriet en gemis. En nu horen we hoe Petrus tegen de anderen zegt: 'Ik ga vissen', en zes anderen zeggen: 'Ik ga mee.'

Tot nu toe heb ik altijd gedacht - en zo werd het mij ook uitgelegd -
dat Petrus weer terugging naar zijn oude beroep: hij was visser. Hij probeerde Jezus te vergeten en alles wat er gebeurd was, ook door hemzelf, of er moest toch ook brood op de plank, of wat dan ook. Maar in elk geval was dit een teken dat Petrus niet verder ging met de boodschap van Jezus.

Maar zou het ook niet anders kunnen zijn? Precies andersom. Toen Jezus de eerste keer Petrus en die anderen tegenkwam, waren zij inderdaad vissers, en Jezus zei tegen ze: 'Kom, volg mij. Ik zal jullie vissers van mensen maken.' Dat wil zeggen: mensen die anderen weten te redden, tot leven weten te brengen. En ze waren hem gevolgd, en hadden gezien hoe hij het deed en ze deden het hem na.

Kan dat dan ook niet de betekenis zijn van wat Petrus nu doet? Dat hij niet de draad van zijn oude leven weer oppakt, maar de opdracht van Jezus: 'Ik ga vissen.' Dat wil zeggen: 'Ik ga mensen vissen.'
Dan klinkt heel de rest van dit verhaal minder letterlijk, maar barstensvol symboliek, zoals alle verhalen over Jezus na zijn dood vol met symboliek zitten, zoals we het brood tot op de dag van vandaag en tot in deze viering verstaan als teken van zijn aanwezigheid, zoals de vis toen en tot op auto's vandaag een symbool is van het gelovig vertrouwen in Jezus als de Levende, de Christus, de Zoon van God, de redder, en zoals wij mensen over de tijd na de dood sowieso alleen maar in symbooltaal kunnen spreken.

Ze gingen dus vissen maar die hele nacht vingen ze helemaal niks. Zonder Jezus lukt het ze niet meer om mensen tot leven te brengen. Er was alleen het donker van de dood, niets geen nieuw leven. Maar dan breekt als altijd ook in dit verhaal een nieuwe morgen aan, en blijkt dat Jezus ze niet in de steek laat, ook al gaapt er nu een kloof tussen hen, een kloof gesymboliseerd door honderd meter zee, het Meer van Galilea waar het kan spoken. Als altijd vraagt Jezus ze naar hun verhaal: 'Hoe gaat het? Is het gelukt?' 'Nee', antwoorden zij in alle eerlijkheid, en dan nodigt hij ze uit het over een andere boeg te gooien. Als ze dat aandurven, ook al zouden ze waarschijnlijk niet kunnen uitleggen waarom ze dat deden, dan gebeurt er op zijn Woord het grote wonder: ze vangen 153 vissen en het net dreigt te scheuren. Wie naar hun verdere geschiedenis met Jezus kijkt, naar de geschiedenis van de kerk, die weet hoeveel mensen en volkeren door het woord van de apostelen nog werden bereikt, en hoe groot het risico van een scheuring, een schisma altijd is geweest, en soms ook is gebeurd.

Bij Petrus gebeurt er eerst nog iets anders. De geliefde leerling - wie dat ook mag zijn: Johannes, of u of ik - herkent Jezus: 'Het is de Heer.' En Petrus staat daar ongeveer in z'n nakie maar die springt het water in om naar Jezus toe te gaan. Ook die twee dingen zijn heel symbolisch voor alle leerlingen van Jezus de eeuwen door, voor ons: er gaapt inderdaad een diepe kloof tussen Jezus en ons, en die kloof is zee, is chaos, dood en zonde, maar Jezus is er wel voor ons, reikt ons van die overkant de hand, roept ons toe en wacht ons op, maar alleen als wij onze trots en angst weten te overwinnen, in ons nakie durven te staan, onze kwetsbaarheid durven te laten zien, alles wat we niet kunnen en in ons leven al fout hebben gedaan, alleen dan ontstaat er ook de ruimte voor de echte ontmoeting met de verrezen Heer, met de Levende, die ons mensen de weg door het leven én de dood is voorgegaan en ons opwacht. Dan zijn wij klaar om in zijn Naam te kunnen doen wat hij ons heeft voorgedaan, alles waarvan wij altijd dachten dat wij dat niet konden, niet aan durfden, bang om fouten te maken.

Daarom eindigt dit verhaal dan ook met de drie keer dat Jezus aan Petrus vraagt: 'Heb je mij lief, meer dan de anderen?' Niet om hem zijn fouten uit het verleden in te wrijven, toen hij drie keer zei hem niet te kennen, maar om ons allemaal te laten zien dat Jezus geen perfecte leerlingen zoekt, maar tegen u en mij met onze fouten en tekortkomingen zegt: 'Ik ken je zoals je bent: Kom, volg me.'
En zoals Petrus en de anderen vissers van mensen werden en van Jezus getuigden in hun leven, zo is Jezus er ook vandaag in ons bestaan en zegt: 'Ik zal je leiden. Volg mij.'
Archief preken