Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Herdenken

Viering: 6e zondag na pasen

Lezingen:

  • Handelingen 15, 1-2 en 22-29
  • Johannes 14, 23-29

Geschreven door: Dr. Jan Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,


Deze dagen staan in het teken van herdenken, gedenken, dodenherdenking en de bevrijding. Het aantal mensen dat de oorlog en de bevrijding bewust heeft meegemaakt, wordt steeds kleiner. Deze mensen zijn nu 75 jaar en ouder. Zij kunnen de herinneringen aan deze donkere jaren en ook de uitzinnige vreugde van de bevrijding in hun geheugen oproepen. Maar gedenken is meer dan een denken aan. Herdenken, gedenken doe je in de eerste plaats met andere mensen, in een groep rond een monument met een ritueel. Gedenken is niet een passief terugdenken aan maar een handelen. In het gedenken worden verleden, heden en toekomst met elkaar verbonden. We denken terug aan het verleden dat weer even deel van ons heden uitmaakt en verbinden het als waarschuwing met de toekomst, dit nooit weer. Dat we alert zijn op iedere vorm van discriminatie en racisme, dat we kritisch staan tegenover uitspraken van politici en ons niet laten misleiden door populisten en demagogen, dat we genuanceerd blijven denken en niet in een zwart-wit denken vervallen. Laten we oppassen een bepaalde groep de schuld van alles te geven en zo tot zondebok te maken.

We herdenken om niet te vergeten maar moeten de herinneringen van het verleden ook doorgeven aan de komende generatie opdat ook zij niet vergeten. We kijken terug in het verleden maar kijken ook vooruit en geven door.


In de bijbel zijn gedenken en overlevering centrale begrippen. Traditioneel vraagt de jongste zoon van het gezin op de avond dat het Pesach gevierd wordt: vader, waarom is deze avond anders dan alle andere avonden? Dan vertelt de vader het verhaal van Egypte, van de slavernij en de uittocht.

Gedenkt deze dag waarop gij uit Egypte, het diensthuis, gegaan zijt. En op die dag zult gij aan uw zoon uitleggen: dit is ter wille van wat de Heer mij heeft gedaan bij de uittocht uit Egypte. Het zal u zijn als een teken op uw hand en als een herinnering tussen uw ogen.

Wanneer later uw zoon u vraagt: wat zijn dat voor getuigenissen, inzettingen en verordeningen die de Heer onze God u opgelegd heeft? Dan zult gij tot uw zoon zeggen: wij waren dienstknechten van farao in Egypte maar de Heer heeft ons met een sterke hand uit Egypte geleid.

Wanneer het Joodse volk in het land van belofte gekomen is, mag het zijn geschiedenis niet vergeten, de geschiedenis van God met zijn volk, de geschiedenis van het Verbond. Het moet het verbond met God gedenken en in het Land het verbond bewaren door ernaar te leven.


God sluit een verbond met Abraham en zijn nageslacht. Door dit verbond wordt het Joodse volk het volk van God. Als het Joodse volk leeft volgens het verbond dan geniet het ook bescherming van God. In de bijbel is er slechts sprake van twee groepen, Joden en niet- Joden, de volken, de heidenen. De God van Israël is de privé God van het Joodse volk die het beschermt tegen de heidenen. Het Joodse volk heeft als grote taak een voorbeeld te zijn voor de volken. Zo te leven met God dat de volken zich verbazen over de daden van heil die de God van Israël aan zijn volk doet. Het Jodendom heeft echter nooit zending bedreven onder de heidenen.


De zendingsopdracht die de leerlingen van Jezus krijgen, maakt alle volken tot mijn discipelen, is dan ook een nieuw element met grote consequenties. Als de God van Israël de God van alle volken wordt dan raakt het Joodse volk zijn bevoorrechte positie kwijt. Het blijft wel het eerst geroepene maar niet het enige. Voor sommige groepen Joden is dit moeilijk te verdragen en zij zullen Paulus zien als degene die het Joodse geloof uitverkocht heeft aan de heidenen.

In de Handelingen der apostelen is dit de situatie waar Paulus mee te maken heeft. En dan de figuur van Paulus zelf. Als Saulus was hij een fanatieke Jood die de eerste volgelingen van Jezus vervolgde, zich bekeert en apostel van de heidenen wordt en het geloof via Klein-Azië naar Europa brengt. Een man van twee werelden. Geboren in Tarsus in Klein-Azië waar hij als Jood leefde tussen Grieks sprekende Joden die een sterke band hadden met de Griekse cultuur en tussen heidenen die wel of niet met het Jodendom sympathiseerden. In Jeruzalem maakt hij als leerling van de grote Schriftgeleerde Gamaliël kennis met het vrome Jodendom.

Op zijn zendingsreizen bezoekt hij altijd eerst in een stad de synagoge en preekt daar. Hij heeft succes want zowel Joden als heidenen bekeren zich. Tot wat eigenlijk? Ook in het N.T. is nog steeds sprake van slechts twee groepen namelijk Joden en heidenen. Jezus is Jood en zo is en blijft Paulus ook Jood. De definitieve scheiding tussen Jodendom en christendom heeft nog niet plaatsgevonden. Wie zich in deze eerste periode bekeert, bekeert zich tot een Jodendom met een nieuwe interpretatie en bredere kijk op het oude Joodse geloof.

Wie zich bekeert komt dus uit het oude traditionele Jodendom of rechtstreeks uit de heidenen.


Er zijn sommigen die eisen dat de heidenen volgens de wet van Mozes eerst besneden moeten worden, willen ze behouden worden. Met dit probleem gaat Paulus te rade bij de gemeente in Jeruzalem. Met inspiratie van de Heilige Geest komen ze tot het besluit dat de bekeerden zich alleen aan het meest noodzakelijke dienen te houden en dat is zich onthouden van vlees dat aan de afgoden geofferd is, bloed, verstikt vlees en ontucht.

Voor de heidenen die zich bekeren acht Paulus de besnijdenis dus niet noodzakelijk. In de brief aan de Galaten lezen we dat de reisgenoot van Paulus, Titus, een Griek was die niet gedwongen werd zich te laten besnijden. In dezelfde brief zegt Paulus: in Christus Jezus is niet de besnijdenis of de onbesnedenheid van belang, maar het geloof dat werkzaam is door de liefde. In de brief aan de Romeinen zegt Paulus dat een Jood die zich niet houdt aan de wet tot een onbesnedene geworden is. En omgekeerd geldt de onbesnedene die de wet vervult als besneden. Het gaat niet om het uiterlijke teken maar om het innerlijke teken. De ware besnijdenis is die van het hart, naar de Geest, niet naar de letter.

Even verder in de brief aan de Romeinen spreekt Paulus over Abraham. Het geloof werd Abraham tot gerechtigheid gerekend. Maar Abraham was toen nog niet besneden. En het teken van de besnijdenis ontving hij als het zegel van de gerechtigheid van dat geloof dat hij in zijn onbesneden staat bezat. Zo is Abraham ook de vader van alle onbesneden gelovigen.


Niet het uiterlijke teken is van belang maar een innerlijke betrokkenheid, een persoonlijke stellingname waaruit gehandeld wordt. We houden ons niet aan het verbond en de tien Woorden omdat het ons opgelegd is maar als het goed is uit een innerlijk overtuiging, omdat we niet anders kunnen en willen leven. God zal uw hart en het hart van uw nakroost besnijden zodat gij de Heer uw God lief hebt met geheel uw hart en met geheel uw ziel opdat gij leeft.

De profeet Jeremia spreekt over een nieuw verbond dat de Heer met zijn volk zal sluiten. Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hart schrijven.

Zoals wij zonder hart letterlijk en figuurlijk niet kunnen leven, zo kunnen we ook niet ten diepste leven zonder God en zijn verbond, zonder ons gedragen te weten door zijn peilloze liefde. Het is wel de bedoeling dat wij de door God gegeven liefde op onze wijze hoe klein en gebrekkig ook weer teruggeven aan God in liefde voor de ander.


Nu zijn ook de woorden van de evangelist Johannes te begrijpen. Wanneer gij mij lief hebt, zult gij mijn geboden bewaren. En omgekeerd: wie mijn geboden heeft en ze bewaart, die is het die mij lief heeft. We denken aan Maria; en zij bewaarde de woorden in haar hart.

Het woord bewaren heeft dezelfde intentie als het woord gedenken. Niet opbergen en voor jezelf houden maar vasthouden aan en met heel je hart, heel je ziel en al je krachten, met heel je levensvitaliteit je inzetten om de woorden van God werkelijkheid te doen worden.

Jezus zegt: Vrede laat ik u, mijn vrede geef ik u. Wie de woorden van God gedenkt en wil bouwen aan een wereld van gerechtigheid, die ontvangt de vrede, de innerlijke rust omdat hij hier al mag wonen bij en leven met God.

Vrede laat ik u, mijn vrede geef ik u; niet zoals de wereld die geeft. Wat wordt er hier bedoeld met de wereld? Bij Johannes staat de wereld tegenover de dimensie van het geloof.

Voor Johannes betekent de wereld duisternis, onwaarachtigheid, dood. We zien het om ons heen. Carrière maken, koste wat het kost aan de top komen. De tijd dat bescheidenheid een deugd was, is allang voorbij. Een wereld van concurrentie en ellebogenwerk, van de snelle jongens en het grote geld. Een wereld waar eigenbelang en het recht van de sterkste gelden en geen plaats is voor onbaatzuchtigheid. Tijd is geld. Voor wat, hoort wat. Wat schuift het?


De boodschap van de bijbel staat haaks op deze oppervlakkige wereld die niet het beste maar juist het slechtste in de mens naar boven haalt, macht en hebzucht. De bijbel kiest nu juist voor de kleine mens, de machteloze, wees, weduw en de vreemdeling in ons midden. Je mag in de bijbel best rijk zijn als je maar begaan bent met de armen en weet te delen.

De boodschap van de bijbel wil de mens niet terneer drukken en klein maken maar juist kracht geven om zich met de hulp van God tot een waarachtig mens te ontplooien zodat hebzucht plaats maakt voor onbaatzuchtigheid, onverschilligheid tegenover de ander voor bezorgdheid, wantrouwen plaats maakt voor vertrouwen en geloof in de ander.

Hoe kunnen wij in deze oppervlakkige wereld de omslag maken naar een wereld met een perspectief. Daarvoor is de hulp van de Heilige Geest nodig.

Jezus heeft ons getoond wat gerechtigheid, vertrouwen en liefde zijn door ze ons voor te leven. Maar wij konden het evenals de Emmaüsgangers en Thomas niet begrijpen omdat we nog niet konden zien met de ogen van het geloof.

Daarom zal, als Jezus deze wereld verlaten heeft, de Heilige Geest komen en alles wat Jezus gedaan heeft ons in herinnering brengen. De Heilige Geest zal ons leren en Hij geeft ons de genade van het geloof. Omdat wij dan niet meer van de wereld zijn en zien met de ogen van het geloof, openbaart Jezus zich aan ons en dan pas kunnen wij in hem geloven. Dan wordt hij voor ons het voorbeeld dat wij moeten navolgen, de weg naar de Vader, de waarheid en het leven.


Met dit geloof kunnen wij in deze wereld vol macht en ellende toch steeds weer lichtpuntjes van hoop en gerechtigheid ontdekken, kunnen wij gedenken zonder dat het verleden al te zwaar op ons drukt en ons de moed ontneemt verder te gaan. Ook wij moeten in ons geloof gedenken en doorgeven. Wij hebben als gelovigen de taak in deze vaak zo donkere wereld door ons handelen lichtpunten van hoop en vertrouwen te zijn, de ongebaande wegen te maken tot paden van gerechtigheid. In een wereld van ongeloof, wanhoop en haat, geloof, hoop en liefde te zaaien. Daarbij zal de kracht van de Heilige Geest ons helpen.

God heeft Abraham op weg gestuurd naar een onbekend land. God heeft zijn volk bevrijd uit Egypte, door de woestijn geleid naar het land van belofte. Tot hiertoe heeft de Heer ons gebracht. Zo mogen we met het nieuwe perspectief van het geloof erop vertrouwen dat God ook ons verder zal leiden. Amen.
Archief preken