Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Kaj Munk: Het Woord

Viering: 10e viering

Lezingen:

  • 1 Koningen 17, 17-24
  • Lucas 7, 11-17

Geschreven door: Dr. Jan Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,

In de bijbel zijn weduwen meestal arm ook als dat er niet nadrukkelijk bij gezegd wordt.
Bij ons waren ze dat vroeger zonder voorzieningen ook. We kunnen ons indenken dat in de tijd van de bijbel het voor een alleenstaande vrouw enorm moeilijk was het hoofd boven water te houden in een maatschappij die door mannen werd gedomineerd. Er zullen zeker ook rijke weduwen geweest zijn maar daar spreekt de bijbel niet over want die redden zich wel. De bijbel plaatst die mensen in het voetlicht die onze bijzonder hulp en steun nodig hebben, de zwakken in de samenleving, in de taal van de bijbel : wees, weduwe en ontheemde, de vluchteling, de vreemdeling.
De weduwe was afhankelijk van de zorg van de familie en de weldadigheid van haar omgeving. Als ze kinderen had, zonen, dan was er tenminste nog een kostwinner. Maar in de verhalen van vandaag horen we dat de enige zoon van de weduwe sterft. Het verliezen van een kind is het ergste wat een ouder kan overkomen. Maar in de tijd van de bijbel betekende dat ook dat iedere toekomst haar ontnomen werd. Geen zoon, geen kostwinner en geen nageslacht, geen directe erfgenaam. Dan was je met recht gesjochten.
In de eerste lezing horen we het verhaal over de weduwe van Sarfath, een plaats aan de kust in Sidon, heidens gebied. Deze weduwe wordt door God zwaar op de proef gesteld.
Wat wij vandaag gehoord hebben, is het tweede deel van het verhaal. In Israël heeft het drie jaar niet geregend en Elia gaat naar Sarfath en komt bij de poort een weduwe tegen die hout aan het sprokkelen is. Elia vraagt haar om een kruik water en om brood. Ze zegt: ik wilde juist naar huis gaan met het hout en dan heb ik net genoeg meel en olie om een klein broodje te bakken voor mijn zoon en mijzelf en daarna moeten we maar sterven. En Elia zegt: ga naar huis en bak eerst een klein broodje voor mij en breng het mij. Voor u en uw zoon kunt gij het later klaarmaken. Want zo zegt de Heer, de God van Israël: het meel in de pot zal niet opraken en de olie in de kruik zal niet ontbreken tot op de dag dat er weer regen zal vallen.
Zo gebeurt het dat er voor haar, haar zoon, haar huis en Elia genoeg is.
Het getuigt van een groot geloof dat deze heidense vrouw een vreemde man op zijn woord gelooft ook al spreekt deze in de naam van God. Menselijker wijs gesproken is er voor moeder en zoon geen toekomst en zijn zij ten dode opgeschreven. Door het vertrouwen in het woord van God uit de mond van Elia wordt hen het leven geschonken.
Het is onbegrijpelijk dat deze door God geschonken toekomst ook weer genomen wordt. De zoon sterft en daarmee ook de toekomst van de moeder. Daarom zegt zij tegen Elia: Hoe heb ik het met u, man Gods ? Gij hebt bij mij intrek genomen om mijn ongerechtigheden in herinnering te brengen en te maken dat mijn zoon sterft. Elia die een bovenvertrek in het huis heeft, neemt de dode jongen uit de schoot van haar moeder en draagt hem naar boven en legt hem op bed. De vraag van de moeder aan Elia, richt Elia nu tot God. Heer, mijn God. Doet gij zelfs de weduwe bij wie ik als vreemdeling vertoef, het onheil aan haar zoon te laten sterven. Elia gaat drie keer languit op het kind liggen en vraagt aan God of hij de levensadem in het kind wil laten terugkeren. God verhoort zijn gebed en Elia draagt het kind naar beneden en geeft het aan zijn moeder en zegt: zie, uw zoon leeft.
Elia gaat met het dode kind naar boven, gaat als het ware de berg op waar hij bidt om Gods hulp. Daar in de stilte van de bovenkamer raken leven en dood elkaar en bezielt de levensadem van God het dode kind. Zoals Elia later op de Horeb een Godsontmoeting zal hebben, zo ontmoet Elia hier al in de bovenkamer God en daalt af met het levende kind, het tastend bewijs van zijn ontmoeting met God. Waar God en mens elkaar ontmoeten gebeuren dingen die grensoverschrijdend zijn. Een dode wordt tot leven gewekt en de heidense weduwe belijdt: thans weet ik dat gij een man Gods zijt en dat het woord van de Heer in uw mond waarheid is. In het gebied waar de heidense goden Baäl en Astarte vereerd worden, getuigt Elia van de ene God, de God van Israël, de levende God die levend maakt.
Zo getuigt ook Jezus in zijn leven van die levend makende God en handelt uit kracht van Hem. Waar Jezus komt geneest hij zieken en moet zelfs de dood wijken voor het leven zoals we zien bij de jongeling van Naïn, het dochtertje van Jaïrus en de opwekking van Lazarus.
Maar wat moeten wij met deze verhalen van 2000 jaar geleden beginnen. In onze tijd zijn er immers geen wonderen meer en dood is dood.
Met dat grote probleem van het geloof in de opstanding zat ook de Deense dominee Kaj Munk die hierover in 1926 een toneelstuk schreef: "Het Woord". Eigenlijk had de titel moeten luiden: "het woord dat daad werd". En dan denken we direct aan het scheppingswoord van God waar woord en daad één zijn.
Munk werd als klein kind al geconfronteerd met de dood van zijn moeder, wat later met die van zijn grootmoeder en in zijn eerste gemeente als jong predikant met de dood van moeder en kind bij de bevalling. Dit alles speelt mee als hij "Het Woord " schrijft.
Omdat de lezingen van vandaag bij ons dezelfde vragen oproepen, wil ik wat over dit toneelstuk vertellen.
Het thema is het wonder van de opstanding. Het stuk speelt op het platteland van Denemarken. De rijke herenboer Borgen is de trotse bezitter van Borgensgaard maar ook trots op zijn geloof en op de geestelijke en culturele ontwikkeling die op het platteland mede door zijn toedoen tot stand gekomen is. Hij is ook rechtlijnig en heeft in de ogen van zijn oudste zoon Mikkel gezien dat hij het geloof niet heeft. Hij kan dus geen erfgenaam zijn van Borgensgaard.
De oude Borgen heeft nu zijn hoop gevestigd op zijn zoon Johannes die theologie studeert. Johannes komt met zijn verloofde op een avond uit het theater in Kopenhagen. Diep onder de indruk van het stuk, let hij niet op het verkeer en zijn verloofde kan hem nog net voor een auto vandaan trekken maar zij komt er zelf onder. Bij het zien van zijn dode verloofde wordt Johannes gek en denkt voortaan dat hij de teruggekomen Christus is. De oude Borgen bidt intens dat zijn zoon weer gezond wordt. Maar hij geeft zelf toe dat er in zijn geloof toch ook twijfel was. Als iemand niet met zijn hele geloof kan bidden dan is er op de wereld voor wonderen geen plaats meer.
De jongste zoon Anders is verliefd op de dochter van de kleermaker. Maar de oude Borgen staat met zijn geloof onverzoenlijk tegenover het geloof van de kleermaker. Anders moet een vrouw krijgen van ons geloof, van mijn geloof, het geloof van boerderij.
De oude Borgen heeft zelf de dialoog, de wegen tot de ander afgesloten door zijn trots en onwrikbare rechtlijnigheid van zijn geloof.
De enige persoon die een verzoenende rol speelt en waar de oude Borgen zeer op gesteld is, is Inger, de vrouw van zijn oudste zoon. Zelfs kritiek van haar kan de oude Borgen nog verdragen. Ze zegt: in jullie bijeenkomsten, ja daar leeft God voor jullie, maar thuis daar lopen jullie soms rond alsof hij dood was.
Hier horen we de kritiek van Munk op de kerk. Geloven is meer dan geloven, vroom zijn op zondag. Het geloof moet door de week in praktijk gebracht worden, een geloof van keuzes en persoonlijke stellingname. Het gaat om een concreet, levend geloof hier en nu.
De nieuwe dominee van het dorp staat raar te kijken als hij kennis maakt met Johannes en deze zegt: ik ben timmerman, Jezus van Nazareth. Maar kunt u bewijzen dat u bent voor wie u zich uitgeeft, vraagt de dominee. Een man van het geloof die om bewijzen vraagt.
Ik toon mij de Christus, toen zoals nu, door wonderen en getuigenissen.
Maar doet u dan wonderen, vraagt de dominee.
Die paraplu die achter uw rug staat, daar heb ik een slang van gemaakt, maar u kijkt niet eens achterom. Zo zeker bent u van uw ongeloof. Ge gelooft aan mijn wonderen van 2000 jaar geleden, maar niet aan mij nu. Waarom gelooft gij wel in de dode Christus, maar niet in de levende ? Het is precies gegaan zoals ik toen al vreesde: als de Mensenzoon weerkeert, zal hij geen geloof op aarde vinden.
En de jonge dominee die nog teveel vasthoudt aan de academische waarheden zegt: u doet geen wonderen want er gebeuren geen wonderen.
Nee, als ik niet open sta voor een werkelijkheid die groter is dan de mijne, als er geen plaats is voor verbazing en verwondering, geen ruimte voor het onbegrijpelijke, dan zal ik nooit oog hebben voor de wonderen die toch gebeuren.
Ook op Borgensgaard gebeuren ongemerkt wonderen. De jongste zoon van de oude Borgen, Anders, heeft bij de kleermaker om de hand van zijn dochter gevraagd en is weggejaagd.
Alhoewel de oude Borgen pertinent tegen een huwelijk van beiden is, is hij woest omdat zijn zoon vernederd is en gaat naar de kleermaker toe. De kleermaker zegt dat het geloof van Borgen ongeloof en dwaling is. Borgen is op zijn ziel getrapt en in zijn boosheid overschrijdt hij de grens van zijn eigen rechtlijnigheid en zegt tegen zijn zoon: jij zult dat meisje hebben.
En de kleermaker zegt dat de hoogmoedige Borgen nog meer beproefd zal moeten worden.
Dan komt het bericht dat zijn schoondochter Inger een zware bevalling heeft en dat het niet goed gaat. De kleermaker zegt: ik hoop dat de Heer je ditmaal bekeren mag, hoe hard Hij je eerst ook zal moeten slaan, al is het met de dood van je schoondochter. Daarop geeft de oude Borgen de kleermaker een klap in zijn gezicht en gaat weg.
Thuisgekomen gaat de oude Borgen die weet dat bij Johannes bidden niet geholpen heeft, toch weer bidden dat zijn schoondochter en het kind in leven blijven.
Als wij Hem daarboven een handje helpen en Hij ons, dan komt alles in orde. Maar het komt niet in orde. Het kind wordt dood geboren en de moeder is bewusteloos. En Borgen bidt: Almachtige God, barmhartige God ! Niet meer ! Om uw lieven naams wil, niet meer. Gij hebt mijn beker volgeschonken. Nu bid ik U: laat hem niet, o laat hem niet overvloeien. Maar ook zijn schoondochter Inger sterft. Het enige wat hij dan nog in complete verslagenheid kan zeggen is: de Heer heeft gegeven, de Heer heeft genomen.
Alle hoop is weg.
Inger heeft een dochtertje van zeven jaar, Maren. Op de avond dat haar moeder zo ziek is, wordt zij naar bed gebracht door Johannes. Helemaal uit zichzelf zegt ze tegen Johannes: als moeder dood gaat, gaat u haar dan opwekken? Als de anderen het goed vinden, zal ik het doen.
Op de dag van de begrafenis komt de kleermaker naar de oude Borgen toe. Wil je mijn hand aannemen? Wil je mij vergeven ? Maar ik heb jou geslagen, niet jij mij, zegt Borgen.
En de kleermaker: Ja, maar ik vergat het woord van mijn Verlosser en keerde je niet mijn andere wang toe. En hij zegt tegen Mikkel, de oudste zoon zonder geloof die nu zijn vrouw verloren heeft: Ik heb zo&n gevoel dat ze daar ligt als een offer voor jouw zonden Maar jij en ik, wij zijn even grote zondaren voor het aangezicht van de Heer. En daarom moet ik ook offeren. Haar plaats mag niet leeg blijven. De Heer heeft genomen maar de Heer geeft ook weer. Dan doorbreekt ook hij de starheid van zijn geloof en geeft zijn dochter aan Anders, de jongste zoon van Borgen als een soort zoenoffer.
Op de avond van het overlijden is Johannes de kamer van de dode binnengegaan en bij het zien van de dode heeft hij de naam van zijn overleden verloofde genoemd. Hij is weer teruggevoerd naar het moment van het ongeluk en door de schok heeft hij zijn verstand teruggekregen.
Johannes komt op de begrafenis. Is dit hier een christelijk begrafenisfeest ? Is dit hier de zekerheid van het opstandingsgeloof ? Jullie hadden kunnen bidden dat God jullie het geloof in Pasen zou geven maar niemand van jullie is op die gedachte gekomen.
Blijven jullie maar in je halfslachtig geloof en schroef de kist maar dicht. Dan zegt de kleine Maren kom oom, gauw dan toch.
Het kind! Het grootste in het rijk der hemelen. Dat ik jou vergat. Och ja, bij het kind is het heil. Kijk naar je moeder meisje; als ik Jezus& naam noem, staat ze op. De dominee protesteert: stuur hem weg, hij is nog gek. Dit is afschuwelijk. Er kan geen wonder meer gebeuren. Ethisch niet en religieus.
Dan bidt Johannes: Hoor naar mij, Vader in de hemelen, geef mij het woord, het woord dat Christus uit de hemel haalde. Het woord, het scheppende, levendmakende woord, schenk het mij. Nu !
Hoor, gij dode, luister naar mij. In de naam van Jezus Christus die opstond uit de doden, zo waarlijk als God dat wil: keer terug tot het leven. Ik zeg u, vrouw, sta op !
Het eerste wat Inger vraagt: het kind! Waar is het kind ? Leeft het ?
Ja, het leeft bij God maar jij leeft bij ons.
De oude Borgen zegt: Heer, vergeef mij, vergeef mij, ik ben een zondig man.
En de kleermaker: dat is de oude God uit Elia&s tijd, eeuwig dezelfde- halleluja.
En de dominee: ja maar dit- dit is fysiek onmogelijk. Dit kan immers niet.
Wijn! Geef haar een glas wijn, zegt Johannes. Nu begint het leven pas voor ons.
Er gebeuren wonderen. De oude Borgen en de kleermaker doen afstand van hun strikte standpunten, overschrijden grenzen en komen tot elkaar. De enige die niet van standpunt verandert is de dominee. Hij die een man van het geloof zou moeten zijn, kan niet zien met de ogen van het geloof, staat niet open voor een werkelijkheid die verder reikt dan de zijne.
Het kind en Johannes staan wel open voor een bredere werkelijkheid waarin het onmogelijke mogelijk is. Zij geloven onvoorwaardelijk. Bij het kind is het heil. Om te komen tot het koninkrijk der hemelen, daar waar God en mens elkaar ontmoeten, moeten wij de openheid en het geloof hebben als van een kind zonder voorbehoud en afwijzing.
We hoeven geen groot geloof te hebben. Al is het maar zo klein als een mosterdzaadje. We hoeven niet veel te geloven maar wat we geloven hoe klein ook moeten we wel werkelijk geloven. Dan gebeuren er ook in ons leven wonderen. Amen.
Archief preken