Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

IJdelheid der ijdelheden

Viering: 18de zondag door het jaar

Lezingen:

  • Prediker 1,2 en 2, 21-23
  • Lucas 12, 13-21

Geschreven door: Dr. J.Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,

De bijbel is Gods Woord. Dat werd vroeger opgevat alsof God zijn woorden letterlijk aan de bijbelschrijvers gedicteerd zou hebben. Wij zijn gelukkig tot het inzicht gekomen dat het toch anders moet zijn. De boeken van de bijbel zijn door mensen geschreven met menselijke woorden maar wel vanuit een gelovige inspiratie. Vanuit die gelovige inspiratie interpreteren de schrijvers van de bijbelboeken de wereld en werkelijkheid om hen heen zoals wij vanuit ons geloof anders tegen de wereld aankijken dan de niet-gelovige.

Omdat de bijbel door mensen geschreven is, kunnen wij hen, ondanks de kloof van meer dan 2000 jaar, toch begrijpen. Mensen met vreugde, verdriet, hartstocht en wanhoop zoals wij.

Het meest gelezen boek van de bijbel is dan ook het boek van de Psalmen waarin we al die menselijke gevoelens herkennen. De mens die God looft en dankt voor de heerlijkheid van zijn schepping, de gevallen mens die om genade smeekt, de mens die in zijn verdriet troost zoekt bij Hem, de mens die twijfelt en wanhoopt.

Een boek dat veel minder gelezen wordt maar waar ook niet-gelovigen zich in herkennen, is het uiterst menselijke en actuele boek Prediker waaruit we vandaag enkele verzen hebben gelezen. Het zijn de overpeinzingen van een bejaarde man die terugkijkt op zijn leven. Hij heeft niet stilgezeten maar heel veel gedaan in zijn leven en zijn eerste conclusie is: alles is ijdelheid en najagen van wind. In het hele boek Prediker komt deze zin als een soort refrein steeds terug.

Bij het woord ijdelheid moeten we niet denken aan een ijdeltuit. IJdelheid betekent hier ijl, wind, leegte zoals we spreken over een ijle lucht, over een ijlbode. Het gaat om iets dat snel vervliegt. Het Hebreeuwse woord is "hevel" en daar heeft de naam Abel mee te maken. Zijn leven is immers kortstondig en snel vervlogen.

Het stukje dat wij gelezen hebben is veel te kort om een indruk te krijgen van de sfeer en daarom zal ik het imposante begin van Prediker voorlezen.

IJdelheid der ijdelheden, zegt Prediker, ijdelheid der ijdelheden. Alles is ijdelheid!

Welk voordeel heeft de mens van als zijn zwoegen waarmee hij zich aftobt onder de zon?

Het ene geslacht gaat en het andere komt maar de aarde blijft altijd staan. De zon komt op en de zon gaat onder en hijgend ijlt zij naar de plaats waar zij opkomt.

De wind gaat naar het zuiden en draait naar het noorden, aldoor draaiend gaat hij voort en op zijn kringloop keert de wind weer terug.

Alle beken stromen naar de zee, nochtans wordt de zee niet vol; naar de plaats waarheen de beken stromen, daarheen stromen zij altijd weer. Alle dingen zijn onuitsprekelijk vermoeiend; Het oog wordt niet verzadigd van het zien en het oor wordt niet vervuld van horen. Wat geweest is dat zal er zijn en wat gedaan is dat zal gedaan worden; er is niets nieuws onder de zon. Is er iets waarvan men zegt; zie hier, dat is nieuw. Het was er al in verre tijden die voor ons waren. Er is geen heugenis van de vorige tijden en ook van de latere die zullen zijn, zal er geen heugenis wezen bij hen die nog later zullen leven.



Prediker denkt na over de kringloop van de natuur en kan met recht zeggen dat er niets nieuws onder de zon is. Wij weten inmiddels dat het miljoenen jaren voor ons zo gegaan is en dat het na ons ook miljoenen jaren verder zal gaan. Als we er goed over nadenken kunnen wij evenals Prediker moe worden van al die beweging die nooit tot rust komt en waar wij niets aan kunnen doen. Ook wijzelf hebben deel aan die beweging van komen en gaan.

In het heelal zijn we niet meer dan een stofje en in de tijd niet meer dan een zucht. Of zoals de Psalmist zegt:

Gelijk het gras is ons kortstondig leven,
gelijk een bloem die op het veld verheven,
wel sierlijk pronkt maar krachtloos is en teer
wanneer de wind zich over &t land laat horen,
dan knakt haar steel, haar schoonheid gaat verloren:
men kent en vindt haar standplaats zelfs niet meer.

Zoals wij nauwelijks weet meer hebben van enkele generaties voor ons, zo zullen de komende generaties niet meer weten wie wij zijn. Als alles zo vluchtig is, dan komen we tot de vraag die iedereen zich wel eens stelt: waar doe ik het eigenlijk voor, waar werk ik zo hard voor, wat schiet ik ermee op, wat heeft het voor zin? Deze vraag stelt Prediker als hij al heel veel gedaan heeft. Hij heeft wijsheid en kennis verkregen want hij heeft veel onderzocht ook dwaasheid en onverstand. Maar ook dit is najagen van wind. Want in veel wijsheid ligt veel verdriet en wie kennis vermeerdert, vermeerdert smart.

Is Prediker een zwartkijker die overal een domper op wil zetten? Zeker niet. Hij bemerkt dat wijsheid haar voordeel heeft boven onverstand zoals licht het voordeel heeft boven de duisternis. De wijze heeft ogen maar de dwaas wandelt in duisternis. Toch treffen wijze en dwaas hetzelfde lot. Ze gaan dood en worden vergeten. Wat gebeurt er met de kennis die de wijze vergaard heeft? Hoe wordt soms omgegaan met de geestelijke nalatenschap van grote denkers? Vergeten, onbegrepen of misbruikt voor de ideologie van een dictatuur.

Prediker wordt vertwijfeld als hij denkt dat hij daar zo hard voor gewerkt heeft en getobd. Dan is het toch allemaal zinloos?

Het hele boek Prediker wordt bepaald door een paar gedachten.

De mens is een eindig wezen en wat hij doet, hoe belangrijk ook, is tenslotte ook weer niet zo belangrijk. Omdat de mens eindig is, kan hij niet alles kennen en hoe meer hij weet des te meer beseft hij hoe weinig hij nog maar weet. En er zijn ook dingen waarvan je denkt: die had ik liever helemaal niet willen weten.

Het begin van alle wijsheid is de vreze des Heren. Dat betekent niet dat we bang moeten zijn voor God maar dat we eerbied moeten hebben tegenover God. Wij staan niet op gelijke voet met God. God is God en mens is mens en er is een kwalitatief onderscheid.

Ik mag de andere mens tegenover mij niet tot mijzelf herleiden. Zelfs in de beste relatie moet ik de ander respecteren in zijn anders zijn, in zijn diepste eigenheid en niet te doorgronden geheim. En zo is het ook met onze relatie tot God, de geheel Andere.

De mens kan Gods werken en raadsbesluiten niet doorgronden en moet dat ook niet proberen.

De mens moet zijn plaats kennen tegenover God.

Wat is bij al deze scepsis het positieve bij Prediker. Hij constateert dat al het harde werken hem toch vreugde gegeven heeft. Als iets na veel inspanning lukt dan geeft dat voldoening.

En als je bij al je zwoegen, kunt genieten van eten en drinken dan is dat een gave van God.

Welaan dan, eet uw brood met vreugde en drink uw wijn met een vrolijk hart, want als gij dit doet dan heeft God dit reeds lang zo gewild en geniet van het leven met de vrouw die gij lief hebt.

Betekent dat zoveel als: pluk de dag en leef er maar op los? Nee, voorop staat het inzicht van de wijze: de eerbied voor God en het onderhouden van zijn geboden. Binnen deze relatie met God mag de mens in zijn leven in een zekere onbezorgdheid volop genieten van de dingen die God hem geeft.

De rijke dwaas heeft hard gewerkt en heeft zijn schaapjes op het droge. Nu wil hij in alle rust van zijn leven genieten. Hij heeft gedacht alles geregeld te hebben en zich verzekerd te hebben van een goede en onbezorgde toekomst. Maar hij heeft geen rekening gehouden met zijn eindigheid en met God en daarom is hij dwaas.

Bij het samenstellen van de canon van de bijbel heeft men lang overwogen of het boek Prediker wel in de bijbel moest worden opgenomen. In de overige boeken van de bijbel zien we een heel ander godsbeeld, de God van het verbond die begaan is met zijn volk, die redt, bevrijdt, helpt. Hoe anders is God in de ogen van Prediker die niets meer schijnt te doen dan de mens tijdens zijn zwoegen onder de zon te laten genieten van zijn goede gaven.

Toch heeft men deze sceptische denker een plaats gegeven in de bijbel omdat zijn gedachten zo puur menselijk zijn. Ook deze zeer menselijke vragen mogen gehoord worden.

De mens is nu eenmaal eindig en beperkt, kan vele dingen niet kennen en de werken van God niet doorgronden. Dat moet hij aanvaarden. In die beperktheid moet hij gewoon de dingen doen die dagelijks op zijn pad komen en gedaan moeten worden. En dan is het levenskunst om ondanks alle moeite en zorg te kunnen genieten van de kleine dingen om je heen, vreugde te hebben van momenten die een donkere dag licht kunnen maken. Te kunnen genieten van de natuur, mooie muziek, een goed boek, een handdruk en een blik van de ander. Je te kunnen verwonderen over gewone dingen zodat ze hun gewoonheid en vanzelfsprekendheid verliezen en hun innerlijke schoonheid tonen.

Als je zo het boek Prediker leest, dan heeft dit op het eerste oog zo sombere en zware boek ook een blijde en lichte kant. Je bent wel een eindig mens maar daar moet je ook weer niet teveel bij stilstaan. Het gaat om de dag van vandaag, het nu. Zo zegt Jezus ook: maak je niet bezorgd om de dag van morgen want iedere dag baart zijn eigen zorg. Geef ons heden ons dagelijks brood. Met andere woorden: kijk niet te ver vooruit en leef in de goede zin van het woord bij de dag en geniet ten volle van iedere dag die God je geeft.

Zonder God zou deze zorgeloosheid roekeloos en onverstandig zijn. Maar binnen het geloof is deze onbezorgdheid op zijn plaats. Zo mogen wij genieten van ons leven en ons verheugen in iedere nieuwe dag en met Prediker zeggen: het licht is zoet. Amen.
Archief preken