Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

50 jaar jezuiet

Viering: OVERWEGING OP DE EEN-EN-TWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR

Lezingen:

  • Jesaja 66, 18-21
  • Lucas 13, 22-30

Geschreven door: Pater Paul Begheyn SJ

Ruim elf jaar geleden, op 28 juni 2002, mocht ik hier, in deze Lucaskerk van Osdorp, voor het eerst voorgaan in de zondagsviering. Mijn preek van toen eindigde met de volgende zinnen: ‘Waar kiezen we voor? Hoe kiezen we? Durven we de consequenties van onze keuze aan? God kiest voor ons en voor ons geluk. Kiezen wij ervoor om dan door God gekozen te worden? Die vragen worden ons vandaag voorgehouden. Laten we niet te lang wachten om een eerlijk antwoord te geven.’ Sinds die eerste preek was ik bijna elke maand bij u te gast. Van meet af aan heb ik me bij u welkom gevoeld, en hebt u me door de jaren heen uitgedaagd om met de voeten op de grond het evangelie te verkondigen. Daar ben ik u zeer dankbaar voor.

Bijna vijftig jaar geleden, op 7 september 1963, trad ik in bij de jezuïeten, in hun noviciaat in het Brabantse Grave. Het beeld van de hartelijke paus Joannes stond mij nog helder voor ogen, en ik zag mezelf weer staan op het Pietersplein in Rome, toen de witte rook de keuze van Paulus VI aankondigde. De lenteachtige en zomerse sfeer in onze Kerk maakte langzamerhand helaas plaats voor herfst en winter. Daar is pas na vijftig jaar een eind gekomen met de keuze van mijn medebroeder Jorge Mario Bergoglio, die nu als paus Franciscus aan ons nieuwe hoop geeft.

Wat is er in de loop van die vijftig jaar veel veranderd, om ons heen, maar ook in onszelf. Was ik met elf man begonnen aan mijn avontuur bij de jezuïeten, nu ben ik als enige in Nederland overgebleven. De filosofiestudie was dodelijk saai en wereldvreemd, en de theologiestudie vond plaats te midden van een spreekwoordelijke loopgravenoorlog. Wie wist nog hoe het verder moest met de Kerk? Was God niet op sterven na dood? Hoeveel goede mensen hielden het voor gezien? En dan het mysterie van de ontdekking, dat we er nog zijn en dat we er nog iets in zien, in die geloofsgemeenschap van ons.

Soms konden we ons herkennen in die mens, die aan Jezus vroeg: 'Heer, zijn het er weinig die gered worden?' En waarom zijn wij dan wél gered? Waarom zijn wij dan wél gekozen om te blijven? Omdat God net zo goed iemand anders had kunnen vragen, antwoordde de wijze. De relatie tussen God en mens is net zo mysterieus als de relatie tussen twee geliefden. Ineens sloeg de vonk over, en vonden we een bedding voor ons geluk. Geloof en liefde kun je niet berekenen of organiseren. Soms lijkt het erop, dat je door een nauwe deur moet om verder te komen. Soms lijkt het dat er niemand open doet, als je aan zijn deur klopt. Soms meen je te horen, dat die ander, ja soms God zelf, tegen je zegt: 'Ik weet niet waar je vandaan komt.'

Maar soms is er, God zij dank, toch ook een heel andere ervaring. Die ervaring omschrijft de profeet Jesaja als het aanschouwen van de glorie van God. Wat is die glorie van God dan toch? Martelaar Irenaeus, die in de tweede eeuw bisschop van Lyon was, verklaarde dat als volgt: 'De glorie van God is dat de mens volop leeft'. Dat is het mysterie dat we met zijn allen levend moeten houden. Daartoe zijn we in staat door hartelijk en vergevingsgezind te zijn.

De jezuïetenorde is ontstaan uit een internationale groep van tien vrienden, die elkaar hadden ontmoet als studenten in Parijs in het begin van de zestiende eeuw. Ze wilden de Kerk van binnenuit hervormen, en konden daarbij niet zonder elkaar. Ze noemden zichzelf ‘de broederschap van Jezus’. De twee pijlers waarop deze broederschap rustte waren de Bask Ignatius van Loyola en Franciscus Xaverius uit Navarra. De eerste was de vaderlijke leidsman en organisator van de groep, de tweede was de stoere missionaris die naar de andere kant van de wereld werd gestuurd, om datgene waar hij vol van was door te geven aan anderen: de liefde van God. Hij zou op de Wereld Jongerendagen in Rio niet uit de toon gevallen zijn. De Vlaamse schilder Peter Paul Rubens schilderde manshoge portretten van Ignatius en Xaverius bij hun zaligverklaring in 1609. En de Friese kunstenaar Schelte van Bolsward maakte daarvan een gegraveerd dubbelportret, dat u na afloop van deze viering krijgt uitgereikt.
Terwijl ik deze woorden eergisteren neerschreef, kreeg ik telefoon van een bevriende oud-leerling. Hij vertelde dat zijn schoonvader bij een auto-ongeluk om het leven was gekomen. Hij vertelde over het drama, met een prop in zijn keel. Maar het verhaal was nog niet uit. Twee maanden eerder was zijn achttienjarige neef Einar met een vriendje dodelijk verongelukt, ook in een auto. ‘Wat kan ik voor je doen?’, vroeg ik. ‘Luisteren’, antwoordde hij. En dat deed ik, vol ontroering. Wat kunnen wij voor elkaar doen? Luisteren. Wat kan God voor ons doen? Luisteren. Wat kunnen wij voor God doen? Luisteren. Daarom komen we op zondag bij elkaar, om te luisteren en te spreken, te vieren en te zingen. Eerbiedig en dankbaar. Ik bid dat we daar nooit genoeg van zullen krijgen.
Archief preken