Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Amalek

Viering: 29e zondag door het jaa

Lezingen:

  • Exodus 17, 8-13
  • Lucas 18, 1-8

Geschreven door: Dr. J. Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,

Ongeduldig, we zijn het allemaal op zijn tijd als we lang moeten wachten bij doktoren, instanties, op het openbaar vervoer en in de file. We leven in een gehaaste wereld, zeker in de grote stad en ook al staan we niet meer onder de tijdsdruk van het arbeidsproces, haast en ongeduld zijn vaak tot een tweede natuur geworden. Er is een gezegde: zij die geloven, haasten niet. Met andere woorden: als je vertrouwen hebt dat je iets tot een goed einde kunt brengen, moet je geduld hebben en doorzettingsvermogen. We kennen de mensen die in onze wereld strijden voor recht en gerechtigheid en ondanks alle tegenwerking volhouden en de moed niet verliezen. We denken aan organisaties die strijden voor de mensenrechten, tegen racisme, discriminatie, tegen politieke en economische onderdrukking.

Zo gaan ook de beide lezingen van deze zondag over volharden. Jezus zegt tot zijn leerlingen dat zij altijd moeten bidden en niet verslappen. En omdat te illustreren vertelt hij de gelijkenis van de onrechtvaardige rechter die zich van niemand en ook van God niets aantrekt.
Een weduwe komt tot hem en zegt: verschaf mij recht tegenover mijn tegenpartij.
De rechter doet niets maar de weduwe komt steeds terug met haar verzoek. De rechter zal omdat hij het gezeur zat is en geen verdere moeilijkheden wil, zich tenslotte toch maar voor de weduwe inspannen en haar recht verschaffen.
Jezus wil ons zeggen dat als zelfs de onrechtvaardige rechter nog recht verschaft, dat dan God ons zeker recht zal verschaffen als wij altijd bidden en Hem daar om vragen.
Direct voorafgaande aan deze gelijkenis spreekt Jezus over de komst van het Koninkrijk der hemelen, over de komst van de Zoon des mensen. In die tijd van beproeving waarop alles omgekeerd wordt, is het zaak dat de gelovigen standvastig zijn in hun geloof en gebed, dat zij zich niet laten verleiden door valse profeten maar vasthouden aan de belofte van God. Daarom ook de bede: leidt ons niet in verzoeking maar verlos ons van het kwade.

Tegen deze achtergrond moeten we de vraag begrijpen die Jezus aan het einde van de gelijkenis van vandaag stelt: doch als de Zoon des mensen komt, zal Hij dan het geloof op aarde vinden? Als Jezus, als God bij ons aanklopt, zijn wij dan thuis, herkennen wij zijn stem of houden wij ons doof voor zijn vragen zoals de onrechtvaardige rechter. Of is er in ons leven geen plaats meer voor God en zijn we Hem al lang vergeten en hebben wij God niet nodig.
Is de Heer in ons midden of niet? Deze vraag heeft twee kanten. We kunnen de vraag aan onszelf stellen. Willen wij luisteren naar Gods Woord en er antwoord op geven of geldt voor ons het woord van Johannes: en het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet aanvaard, niet begrepen. God is er en wil er voor ons zijn. Maar nemen wij zijn helpende hand, zijn genade aan, laten wij Hem toe in ons hart ?
Aan de andere kant kunnen we de vraag aan God stellen. Ik heb uw hulp nodig.
Ik bid, maar hoort u wel. Ik merk niets van uw hulp. Laat u mij in de steek ? Bent u er of bent u er niet ?

Is de Heer in ons midden of niet ? Dat is de vraag die het Joodse volk in de woestijn stelt.
God heeft zijn volk bevrijd uit de slavernij van Egypte, het droogvoets gevoerd door de Schelfzee en het geleid in de woestijn.

Maar in de woestijn wordt het volk op de proef gesteld. Het mort tegen Mozes omdat het water bitter is en door de Heer wordt het water zoet. Als de Israëlieten honger hebben zeggen ze tegen Mozes en Aäron: Och dat wij toch door de hand van de Heer in Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in de woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen. En God hoort het gemor van zijn volk en geeft het manna.

Als er bij Rafadim geen water is voor het volk dan zegt het tot Mozes: waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd, om mij, mijn kinderen en mijn kudde van dorst te laten omkomen ?
Het volk kijkt terug naar Egypte en vergeet dat God het uit Egypte bevrijd heeft.
Het denkt terug aan de zekerheid van eten en drinken al was het in slavernij.

Waarom roept God mensen weg uit de zekerheid en oppervlakkigheid van hun bestaan ? Omdat God een plan heeft met het Joodse volk, met ons. Omdat God ons in de woestijn van ons leven met zijn hulp door alle moeilijkheden heen wil laten uitgroeien tot waarachtige mensen met innerlijke diepte.

Terug kijken naar Egypte betekent het avontuur met God niet aandurven, niet erop vertrouwen dat wat God in het verleden gedaan heeft, zijn volk bevrijden en redden, dat Hij dat ook in de toekomst zal doen en dat Hij ons door de woestijn heen zal leiden naar het land van belofte.

Ongeduldig en ongelovig gaan samen. Het Joodse volk is ongeduldig. Het bittere water wordt zoet. Het volk dat honger heeft krijgt manna. Zal God zijn volk dan van dorst laten omkomen. Zal Hij die zijn volk gered heeft uit Egypte, het laten omkomen in de woestijn ?

Maar het volk mort direct tegen Mozes en heeft geen geduld, geen vertrouwen in Mozes en God. Dan klinkt de vraag: is de Heer in ons midden of niet ? De vraag van twijfel en ongeloof.

Direct na deze vraag horen we het verhaal van Amalek dat strijdt met Israël. Als Mozes zijn handen met de staf van God omhoog houdt, wint Israël, laat hij zijn handen zakken dan heeft Amalek de overhand. Aäron en Hur ondersteunen de armen van Mozes en zo wordt aan het einde van de dag Amalek verslagen. Een zaak van geduld en vertrouwen. Dan zegt de Heer tot Mozes: schrijf dit ter gedachtenis in een boek en prent het Jozua in dat Ik de herinnering aan Amalek onder die Amalek ons heeft hemel volledig zal uitwissen. De Heer heeft een strijd met Amalek van geslacht tot geslacht. Het Jodendom heeft 613 geboden en de drie laatste gaan over Amalek.
Onthoudt wat Amalek gedaan heeft.
Dat wij de kwaadaardige praktijken die Amalek ons aangedaan heeft, nooit zullen vergeten.
Vernietig het zaad van Amalek.

Er hebben veel volken gestreden tegen Israël maar Amalek is het enige volk in de bijbel dat niet meer in de herinnering mag voorkomen en totaal uitgeroeid moet worden. Wat heeft Amalek gedaan ? In het boek Deutronomium lezen we dat Amalek het Joodse volk in de woestijn aanviel. Het was vermoeid en uitgeput en Amalek viel het in de achterhoede aan en sneed de zwakken af. In de achterhoede waren de zwakken, vrouwen, kinderen en zieken.

Er staat dat Amalek God niet vreesde, geen eerbied had voor God. Dat blijkt als je de zwakke aanvalt. In de bijbel wordt Amalek meer dan een woestijnvolk dat van roof leeft.

In de naam Amalek zit het Hebreeuwse woord amal wat kwaad betekent. Amalek wordt de personificatie, het symbool van het diepste kwaad. Strijden tegen Amalek is strijden tegen het kwaad. Wie het Joodse volk door de geschiedenis heen met de ondergang bedreigde, kreeg de naam Amalek.

Is de Heer in ons midden of niet ? Het is niet verwonderlijk dat na deze vraag het verhaal van Amalek komt. Amalek is niet alleen het kwaad dat van buitenaf op ons toekomt maar ook het kwaad in onszelf, twijfel en ongeduld.

Ieder heeft in zichzelf een Egypte in de vorm van vastgeroeste zekerheden die veranderingen in de weg staan, het teveel gebonden zijn aan materiële zaken, de kleine en grote verslavingen. Het is zaak dat we daar afstand van kunnen nemen. Dat we onze behoeften niet direct willen bevredigen maar dat we kunnen uitstellen en wachten.

Het ligt in de natuur van de mens dat hij er naar streeft om gelukkig te worden.
Dit streven naar geluk mag echter niet ten koste gaan van het geluk van de ander. Maar het gaat vaak wel ten koste van de ander als we onze behoeften zo snel mogelijk willen bevredigen. In het groot is de bankencrisis daarvan het beste voorbeeld. Mensen die niets ontziend zo snel mogelijk rijk willen worden.

Wie ongeduldig is en probeert zijn geluk te versnellen, loopt grote kans dit op onrechtvaardige wijze te doen. Als wij op morele wijze gelukkig willen worden en niet een kortstondig geluk najagen, dan heeft ook het geluk zijn tijd nodig.

Dat betekent: kunnen uitstellen, wachten, uitzien naar, verlangen. En dat betekent, vertrouwen hebben en geloof. Zoals Abraham vertrouwd heeft op God en zijn belofte, zoals het Joodse volk in de woestijn in zijn goede momenten erop vertrouwd heeft dat God het zal voeren naar het land van belofte. Zoals wij Joden en christenen wachten op de komst van de Messias en wij al handelend uitzien en verlangen naar het koninkrijk der hemelen, het rijk van gerechtigheid.

Een kenmerk van het kwaad is dat het niet te vatten is met het verstand en ook niet te bestrijden met het verstand. We horen iedere dag van de gruwelen van oorlog en geweld en ons verstand stokt. We kunnen er niet bij. Onbegrijpelijk dat mensen elkaar dat aandoen.
Het kwaad is niet te bestrijden met het verstand, met redelijkheid maar wel met de lange adem van het geloof. Geduld en vertrouwen. Nee, het komt niet zomaar goed. We zullen er hard aan moeten werken, te beginnen met het loslaten van ons eigen Egypte, onze eigen al te vaste zekerheden en niet vervallen in twijfels en angsten. Op weg door de woestijn van ons leven het avontuur met God aangaan, strijden tegen het kwaad, voor recht en gerechtigheid, wetend dat God met ons strijdt. Amen.
Archief preken