Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Openbaring van de heer aan de volken

Viering: Feest van Epifanie

Lezingen:

  • Jesaja 60, 1-6
  • Mattheüs 2, 1-12

Geschreven door: Dr. J. Verhoeven

5 januari 2014

De bijbel kent twee groepen mensen, Joden en niet-Joden. Dat zijn de heidenen, de volkeren. De grootste opdracht voor het Joodse volk is een voorbeeld te zijn voor de andere volken. Voordat het Joodse volk het land mag binnentrekken, zegt Mozes:Zie ik heb u inzettingen en verordeningen geleerd zoals de Heer, mijn God, mij geboden had, opdat gij aldus zou doen in het land dat gij in bezit gaat nemen. Onderhoudt ze dan naarstig want dan zal uw wijsheid en uw inzicht zijn in de ogen van de volken die bij het horen van al deze inzettingen zullen zeggen: waarlijk, dit grote volk is een wijze en verstandige natie. Het Joodse volk mag het land binnentrekken dat als erfdeel door God gegeven is, het beloofde land.


Over het beloofde land zijn veel misvattingen. Het beloofde land heeft weinig te maken met het geografische Israël. Als het Joodse volk het land binnentrekt, is daarmee de belofte nog niet vervuld. Integendeel, dan begint het pas. God geeft ons als het ware een leeg huis dat we zelf moeten inrichten en waarin we als gezin in vrede met elkaar moeten leven. God schept de mogelijkheidsvoorwaarde voor ons geluk dat in het land gestalte moet krijgen. Leven in het land moet met de hulp van Gods verbond en Thora een gelukkig leven kunnen worden.

God legt een grote verantwoordelijkheid op zijn volk. Het moet in het land een samenleving van recht en gerechtigheid opbouwen, een samenleving waarin plaats is voor de zwakken, waar wees, weduwe en de vreemdeling tot hun recht komen. Het land van belofte is het ideaal dat God voor ogen staat en dat in het N.T. het koninkrijk der hemelen genoemd wordt.

Overal ter wereld waar mensen met Gods hulp bouwen aan gerechtigheid en vrede, zijn ze op weg naar het land van belofte. Uit eigen kracht zullen we het natuurlijk nooit bereiken en dat hoeft ook niet. Als we maar op weg zijn, in beweging. God zet ons in beweging naar Hem toe.

Het Joodse volk moet in het land met en vanuit de ene God leven en werken, anders zijn dan de volken en in ieder opzicht een voorbeeld voor hen zijn.


Maar het is vaak verkeerd gegaan. Het Joodse volk wil als alle andere volken een koning hebben en gaat soms weer terug naar de goden van hout en steen. We kennen de woorden van de profeten die het volk oproepen tot bekering en sociale misstanden aan de kaak stellen.

Het volk is ontrouw aan het verbond en leeft niet volgens de Thora. Wanneer mensen niet meer op weg willen zijn naar het land van belofte en zich afkeren van God, dan verliezen ze de vaste grond onder hun voeten en vinden dood en ballingschap zoals het Joodse volk het aan den lijve ervaren heeft. De profeten duiden de Babylonische ballingschap als straf voor de ontrouw aan God. Wij zijn ontrouw maar ondanks alles laat God ons niet aan ons lot over.

Na de periode van boete en inkeer is er ook vergeving en mag het Joodse volk terugkeren naar het land om opnieuw te beginnen.


Dan klinken bij de profeet Jesaja de woorden: troost, troost mijn volk, zegt uw God. Spreekt tot het hart van Jeruzalem, roept het toe dat zijn lijdenstijd volbracht is, dat zijn ongerechtigheid geboet is, dat het uit de hand van de Heer dubbel ontvangen heeft voor al zijn zonden. Jeruzalem dat door de vijand vertrapt is, wordt door God verheven.

Sta op, word verlicht, want uw licht komt en de heerlijkheid van de Heer gaat over u op.

Het Joodse volk moest een voorbeeld zijn voor de volken.

Als God aan het einde der tijden het land van belofte tot voltooiing brengt, dan wordt Jeruzalem verheven tot een lichtend voorbeeld, een licht voor de volken. De volken zullen optrekken naar Jeruzalem en zeggen: komt, laten wij opgaan naar de berg van de Heer, naar het huis van de God van Jakob, opdat hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. In de visioenen van Jesaja en Micha wordt Jeruzalem werkelijk stad van vrede. Dan zullen de volken hun zwaarden omsmeden tot ploegscharen en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen en zij zullen de oorlog niet meer leren.

Jeruzalem wordt verlicht door de heerlijkheid, de glorie van de Heer. Volken zullen opgaan naar uw licht en koningen naar uw stralende opgang.


We lezen deze teksten van Jesaja omdat we vandaag het feest van Epifanie vieren, de openbaring van de Heer aan de volken. Met het Kerstfeest op 25 december vieren wij dat Jezus zich ten eerste openbaart aan zijn eigen Joodse volk in de vorm van de herders.

Ja, het volk van God, het Joodse volk blijft het eerst geroepene.

Vandaag vieren wij dat de niet- Joden, de volken, dat zijn wij, ook geroepen worden om deel te hebben aan het heil van God. Bij Mattheüs staan de magiërs, de wijzen uit het Oosten symbool voor de volken. Zij volgen de ster, gaan naar het licht.

Bij de profeet Jesaja zullen de volken optrekken naar Jeruzalem. De magiërs gaan ook naar Jeruzalem, de hoofdstad. Want als er een koningskind geboren wordt dan moet dat toch wel daar zijn. Maar de schriftgeleerden weten hen te vertellen dat ze in Bethlehem moeten zijn want bij de profeet Micha staat geschreven: en gij Bethlehem, land van Juda, zijt geenszins de minste onder de leiders van Juda, want uit u zal een leidsman voortkomen die mijn volk Israël weiden zal.



De volken zullen optrekken naar Jeruzalem maar als de wijzen uit het Oosten naar Jeruzalem gaan dan moeten ze in Bethlehem zijn. Hoe moeten we dat begrijpen ?

De combinatie van de lezing van Jesaja met die van Mattheüs is verwarrend en zet ons op een verkeerd spoor. Twee verschillende tradities worden dan met elkaar vermengd.

Bij Jesaja zien we de zogenaamde Sions- traditie waarin Sion, Jeruzalem centraal staat en waarheen in het einde der tijden de volken zullen gaan. De verwachting van de Messias staat in de Davids- traditie. De Messias zal geboren worden uit het geslacht van David in de stad van de herder David, Bethlehem. Bij Mattheüs speelt deze tweede traditie een rol waarin Bethlehem centraal staat. Mattheüs citeert niet Jesaja maar de profeet Micha waar sprake is van Bethlehem.

De wijzen die aankomen in Jeruzalem worden verwezen naar Bethlehem. In Jeruzalem zetelt koning Herodes, een dictator. Weg van Jeruzalem, weg van de macht, vinden de wijzen een andere koning zonder macht, een kind in een stal in een kribbe. Daar gebeurt het wonder van Gods genade. De wijzen, heidenen, zien in dit kind, de ster, het licht dat zij volgden en hen worden de ogen van het geloof geopend en ze brengen het kind hulde en geven hun geschenken. De wijzen komen uit het oosten, het Morgenland waar de zon opkomt en het licht is. Ze gaan naar het westen en vinden daar in een kind een ander licht, het licht der wereld waaraan ook de heidenen deel mogen hebben.

De wijzen brengen hun schatten, goud, wierook en mirre. En zo komen we weer bij de eerste lezing van Jesaja. De volken brengen hun rijkdommen naar Sion. Uit Scheba zullen zij allen komen; goud en wierook zullen zij aanbrengen en de roemrijke daden van de Heer blijde verkondigen. En ook Psalm 72 spreekt over het goud van Scheba. Scheba lag in het huidige Jemen en Ethiopië en was schatrijk door de productie van en handel in wierook en mirre.

We denken aan de koningin van Scheba die met haar rijkdommen bij koning Salomo kwam.


God openbaart zich aan eenvoudige herders, ongeletterden maar ook aan magiërs, sterrenwichelaars, geleerden. Door de ster die zijn in het oosten gezien hadden worden zij naar de plaats geleid waar het kind is. Niet in Jeruzalem maar in een gehucht, niet in een paleis maar in een stal. Je maakt een grote reis om een koningskind te vinden en je komt in een achterafje. Wij zouden teleurgesteld zijn. Maar de magiërs niet. Toen zij de ster zagen verheugden zij zich met zeer grote vreugde, gingen het huis binnen, aanbaden het kind en gaven hun kostbaarheden.

Herders en wijzen worden vervuld door een grote vreugde. De herders gaan naar huis terug en loven en prijzen God voor alles wat zij gehoord en gezien hebben. De wijzen keren naar hun land terug. Wat er van hen geworden is, we weten het niet. Maar wie in de stal door het zien van het kind, vol wordt van licht en vreugde, vol van God, die zal voortaan anders door de wereld gaan.


Kerstmis is geen feest van uiterlijke schittering en glans maar van nederigheid en innerlijke vreugde. Ook wij zullen eerst de smalle weg naar Bethlehem moeten gaan, ons klein moeten maken en neerknielen bij de kribbe. Dan mogen wij de genade ontvangen in dat Kind het licht der wereld te zien, dat ook onze duisternis verlicht.

Maar wat zijn onze gaven; wat kunnen wij Jezus aanbieden ? De tekstdichter van cantate 65 van Bach zegt het zo mooi: het goud van het geloof, de wierook van het gebed en de mirre van het geduld zijn mijn gaven. Geloof, gebed en geduld zijn gaven die we van God gekregen hebben om ze in te zetten voor zijn werk.

Kerstmis is het feest van de grote ruil. De Zoon van God is mens geworden opdat wij weer zonen van God zouden worden. Het Kind van Bethlehem heeft voor ons de weg geopend. Waar wij dit Kind, de koning van de vrede, met heel ons hart willen volgen in geloof, gebed en geduld, daar begint de weg naar het land van belofte, naar het echte Jeruzalem, de stad van vrede. Amen.
Archief preken