Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

4e zondag door het jaar

Viering: Visser van mensen

Lezingen:

  • Jesaja 8, 23b-9,3
  • Mattheüs 4, 12-23

Geschreven door: Dr. J.Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,

Iedere dag zien we op straat, in de stad, talloze mensen. We lopen langs elkaar heen, onze paden kruisen elkaar en ieder gaat zijns weegs. Indrukken die we weer snel vergeten. Heel anders wordt het als een bekende of vreemde ons pad werkelijk kruist, als er aandacht is voor de ander, als twee mensen in de diepere betekenis van het woord elkaar ontmoeten. Als mensen open willen staan voor elkaar, oor willen hebben voor het levensverhaal van de ander, meeleven, ja misschien wel een stuk van hun levensweg samen willen gaan. Hoe vaak zijn we niet geholpen door een goed advies, een bemoedigend woord, het duwtje in de rug dat je over een dood punt heen helpt. Jaren later kun je als je terugkijkt denken: wat is de ontmoeting met die persoon toch belangrijk geweest in mijn leven en hoe zou het gelopen zijn als onze levenspaden zich niet hadden gekruist. Misschien is door de ontmoeting het wissel omgegaan en ben ik op een ander spoor terecht gekomen, een andere levensweg.

Dat gebeurt in de evangelielezing van vandaag. Mensen worden geroepen.

Laten we eerst kijken naar de levensweg van Jezus zelf. Als wij het menszijn van Jezus serieus willen nemen dan moeten we af van de gedachte dat Jezus van te voren geweten heeft hoe zijn leven zou verlopen. Ook Jezus moet langzamerhand tot het besef gekomen zijn dat God een bijzondere band met hem heeft en dat hij voorbestemd is een bijzondere taak te vervullen zonder nog precies de inhoud te weten. In dit proces van bewustwording zijn zeker vier momenten in het leven van Jezus van groot belang; de doop door Johannes, de gevangenneming van Johannes, de dood van Johannes en de verheerlijking op de berg waar Jezus spreekt met Mozes en Elia over zijn heengaan, zijn lijden.


In het begin van het evangelie van Mattheüs zien we een parallel met het boek Exodus.

Het Joodse volk is in Egypte geweest en daarom horen we bij Mattheüs het verhaal van Jozef en Maria die met het kind Jezus naar Egypte vluchten. Iedere Jood is eens in Egypte geweest en zo ook Jezus die Jood is en één wil zijn met zijn volk. Het Joodse volk is getrokken door het water van de Schelfzee en de Jordaan en zo gaat Jezus onder in het water van de Jordaan en staat eruit op. De geest van God daalt in de gedaante van een duif op hem neer en Gods stem zegt: deze is mijn Zoon, de geliefde in wie ik mijn welbehagen heb.

Dat moet voor Jezus een moment geweest zijn van epifanie, openbaring. In het O.T. is het Joodse volk de geliefde van God met een bijzondere opdracht. Zo zal Jezus beseft hebben dat als hij de geliefde Zoon van God is, hij ook door God voorbestemd is voor een bijzondere taak. Bevrijd uit Egypte en gegaan door het water van de Schelfzee, komt het volk in de woestijn. Zo wordt Jezus direct na de doop door de Geest naar de woestijn gevoerd om zich voor te bereiden op zijn grote taak.


Direct na het verhaal van de verzoeking in de woestijn begint de lezing van vandaag.

Toen Jezus vernam dat Johannes de Doper overgeleverd was, trok hij zich terug naar Galilea.

Als Jezus later hoort dat Johannes gedood is, trekt hij zich terug naar een eenzame plaats, alleen. Een ontmoeting of een ingrijpende gebeurtenis worden sleutelmomenten in ons leven en ook in het leven van Jezus.

Als Jezus hoort dat Johannes de Doper in de gevangenis zit, verlaat Jezus Nazareth en gaat wonen in Kapernaüm aan het meer van Galilea in het gebied van Zebulon en Naftali.

Mattheüs ziet hierin de vervulling van wat de profeet Jesaja gezegd heeft. Het land Zebulon en het land Naftali aan de zeeweg, over de Jordaan, Galilea der heidenen: het volk dat in duisternis gezeten is, heeft een groot licht gezien en voor hen die gezeten zijn in het land en de schaduw van de dood, is een licht opgegaan.

Waarom spreekt Mattheüs met de woorden van Jesaja over het Galilea der heidenen ?

Kort na de dood van koning Salomo valt Israël uiteen in het Noordrijk met als hoofdstad Samaria en het Zuidrijk rondom Jeruzalem. Het Noordrijk wordt veroverd door de grootmacht Assyrië en de hoofdstad Samaria valt in 721 v. Chr. De tien stammen van het Noordrijk worden weggevoerd naar Assyrië en heidense kolonisten uit Assyrië vestigen zich in het noorden van het land en vermengen zich door de jaren heen met de overgebleven bevolking. Deze historische gebeurtenissen heeft de profeet Jesaja zelf meegemaakt. Tot in de tijd van Jezus zijn Galilea en Samaria half heidens gebleven.

Het Joodse volk moet een voorbeeld zijn voor de volken. Sion zal het stralende licht zijn en de volken zullen van verre komen naar dat licht. Sion, Jeruzalem als het licht der heidenen.

Maar zover is het nog niet. De wijzen uit het Oosten worden verwezen naar Bethlehem om daar het licht der wereld, het licht der volken te vinden. Bij Mattheüs wordt Jezus het licht der heidenen. Niet in Jeruzalem begint Jezus zijn werk maar in het heidense land. Niet in de stad van de tempel, van priesters en schriftgeleerden die alles veel te goed en veel te zeker weten en niet kunnen openstaan voor een nieuwe kijk op het oude verhaal.

Jezus begint zijn werk ver weg van macht en gezag in het heidense Galilea waar mensen zonder vooroordeel open staan voor zijn boodschap die luidt: Bekeert u want het koninkrijk der hemelen is nabij gekomen. Het zijn dezelfde woorden van Johannes de Doper.


In het leven van Jezus is de gevangenneming van Johannes een keerpunt. Johannes zit in de gevangenis en is monddood gemaakt. Dat is voor Jezus het moment om verder te gaan met dezelfde boodschap. Johannes heeft discipelen en zo gaat Jezus ook mensen zoeken die hem willen volgen.

Op een dag loopt Jezus langs de oever van het meer en ziet twee vissers, Simon en Andreas, broers en hij zegt: komt achter mij en ik zal u vissers van mensen maken. En ze laten hun netten liggen en volgen hem meteen. Jezus roept nog twee broers en ze laten hun vader en het schip in de steek en volgen Jezus.

Jezus roept twee keer twee broers. Zit daar misschien een verborgen boodschap in ? Als er in de bijbel over twee broers gesproken wordt dan gaat het meestal mis. Kaïn en Abel, Jacob en Esau, Jozef en zijn broers. Niet voor niets zegt de Psalmist: ziet, hoe goed en hoe liefelijk is het als broeders ook tezamen wonen. Wij zouden denken: twee keer twee broers roepen, waar begin je aan. Dat kan toch nooit goed gaan. Jezus doorbreekt vooroordelen. Jezus roept mensen en als ze hem volgen dan gaat het wel goed.

Jezus stelt geen voorwaarden. Je hoeft niet arm, ongetrouwd, celibatair te zijn. Je hoeft niet geleerd te zijn en gewijd. De Kerk vraagt zoveel van haar dienaren en Jezus zegt alleen: volg mij. Hij vraagt niet veel en toch alles. Want wie hem volgt moet hem wel helemaal volgen en direct. De vissers laten netten, schip en vader in de steek. Jezus roept hen voor een grotere taak.


Zo hebben vroeger vele duizenden alles achter zich gelaten om in verre landen hun leven ten dienste te stellen van de medemens in missie en zending. Een van hen wil ik noemen: Albert Schweitzer in 1875 geboren in de Elzas. Hij studeert theologie, filosofie en is een uitzonderlijk begaafd organist en musicoloog. Hij schrijft dikke boeken over de historische Jezus, de godsdienstfilosofie van Kant en een grote studie over Bach.

Tot je dertigste mag je studeren maar daarna moet je je kennis inzetten voor de mensheid. Dan leest hij in een blad van de zending dat in Afrika, in Lambarene in het huidige Gabon, artsen nodig zijn. Schweitzer besluit daarop medicijnen te studeren en voltooit na vijf jaar zijn studie met het voornemen als arts naar Lambarene te gaan.

Hij vertelt het aan zijn vrienden in Parijs en ze willen hem van zijn plan afbrengen. Ze willen dat hij in Europa blijft want hij heeft zoveel kennis ook van historische orgels en hun restauratie en is bezig met een uitgave van de orgelwerken van Bach. Maar Schweitzer is vastberaden als een generaal die voor zijn troepen staat. Op een middag probeert zijn orgelleraar Widor hem te overtuigen te blijven en steeds antwoordt hij: maar God roept mij.

Een jonge organist vraagt de volgende dag of het Widor gelukt is Schweitzer te overtuigen en Widor zegt: mijn arme jongen, wat wil je doen als een mens je antwoordt: “ God roept mij”.

Zo moet het ook gegaan zijn met de vissers aan het meer. Als Jezus hen roept, kan niets ze tegenhouden.

Schweitzer is 38 jaar als hij naar Lambarene vertrekt. Voor zijn vertrek heeft hij een symbolische datum uitgekozen, 21 maart 1913, Goede Vrijdag en daarbij komt dat 21 maart de geboortedag is van Bach, componist van de cantates, muzikale preken.

Op Goede Vrijdag vertrekt hij uit Günsbach in de Elzas naar Parijs om daar Pasen te vieren en afscheid te nemen van zijn vrienden. Een kleine maand later komt hij aan in Lambarene aan de rivier de Ogawe. Daar begint hij met het bouwen van een ziekenhuis. In 1917 moet hij vanwege de Eerste Wereldoorlog terugkeren naar Frankrijk. Na de oorlog worden hem professoraten aangeboden in Amerika. Hij gaat er niet op in en vertrekt in 1924 voor de tweede keer naar Lambarene. Het ziekenhuis dat hij in 1913 gebouwd had, is zwaar vervallen door het tropische klimaat en hij bouwt het weer op. Om de paar jaar komt hij naar Europa, ook naar Nederland, om orgelconcerten te geven en voordrachten te houden en zo zamelt hij geld in voor zijn ziekenhuis. In een tropisch klimaat dat de meeste Europeanen maar enkele jaren kunnen verdragen, is hij 90 jaar geworden en in 1965 overleden in Lambarene.


Maar God roept ook u en mij. Schweitzer zegt dat ieder zijn eigen Lambarene moet vinden. Ieder moet in zijn omgeving kijken waar hij zich kan inzetten voor een goed doel en daarvoor een gedeelte van zijn tijd vrijmaken. Tegenover alle leed in de wereld moeten wij wat goeds stellen. Maar onze goede inzet weegt toch niet op tegen het leed in de wereld. Nee, maar iedere vorm van zorg voor mens, dier, milieu, heelheid van de schepping, vermindert leed.

Waar het goede, hoe klein ook, gezaaid is, kan het groeien.

Ook in de bijbel begint het klein in Bethlehem en Galilea. En toch is daar de kracht van het geloof dat een waagstuk is. Jezus roept broers, eenvoudige vissers en waagt het er op. De vissers laten alles in de steek en gaan achter een onbekende aan. Ook voor hen is het een waagstuk en toch kunnen ze zich niet onttrekken aan de stem die hen roept. De innerlijke stem van geloof, vertrouwen is sterker dan een onzekere toekomst en haar twijfel.


Ik kom terug op de ontmoeting. Je ontmoet een vreemde en toch kan het zijn dat er direct een vertrouwen is, een band en dat je iets met elkaar wilt delen, een stuk levensweg samen gaan in welke vorm dan ook. Dan pas leer je de ander kennen en wordt de onbekende een bekende, een vriend en wordt het vertrouwen bevestigd.

Zo is het ook met Jezus en met God. We kunnen de bijbel van a tot z kennen, alles weten wat de bijbel, catechismus en theologie over Jezus en God zeggen. Maar zo zullen God en Jezus voor ons altijd onbekenden blijven. Als God ons roept en wij antwoord willen geven door te werken aan ons Lambarene, dan pas zullen wij ervaren wie God is.


Ik wil besluiten met de laatste zinnen uit het Jezus boek van Albert Schweitzer.
Als een onbekende en naamloze komt Hij tot ons, zoals Hij aan de oever van het meer toekwam op de mannen die niet wisten wie Hij was. Hij zegt dezelfde woorden: Volg gij mij ! en stelt ons voor de taak, die Hij in onze tijd moet volbrengen. Hij gebiedt, en aan degenen die Hem gehoorzamen, wijzen en onwijzen, zal Hij zich openbaren in wat zij in zijn gemeenschap aan vrede, werken, strijden en lijden mogen ervaren, en als een onuitsprekelijk geheim zullen zij vernemen wie Hij is. Amen
Archief preken