Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Herdenken

Viering: 3e week na pasen

Lezingen:

  • Handelingen 2, 14 en 22-32
  • Lucas 24, 13-35

Geschreven door: Dr. Jan Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,

Deze dagen van mei staan in het teken van het herdenken. We denken terug aan de oorlog en aan de bevrijding. De groep die het zelf heeft meegemaakt, wordt in de loop der jaren steeds kleiner en de jongeren weten het uit de verhalen van ouders, grootouders of andere familieleden. Er is niet veel fantasie voor nodig om te begrijpen wat oorlog en dictatuur teweeg brengen aan verwoesting, honger, ellende en dood. We zien het immers iedere dag op de tv en lezen het in de kranten. Herdenken, gedenken is meer dan denken aan. Je kunt aan iets denken uit het verleden zonder er echt bij stil te staan. De gedachte komt op en is ook zo weer verdwenen. Heel vluchtig wordt het verleden even aangetipt.

Bij herdenken worden verleden, heden en toekomst met elkaar verbonden. We staan letterlijk en figuurlijk bij het verleden stil. De mensen die het hebben meegemaakt, herinneren zich bepaalde gebeurtenissen en situaties, maken ze weer mee en plaatsen ze zo in het heden. Hoe gaat het met herinneringen? Op het moment van het beleven, kun je de indruk hebben dat een gebeurtenis heel belangrijk is en cruciaal. Achteraf bezien, na jaren, moet je vaak toegeven dat andere gebeurtenissen en beslissingen voor je leven doorslaggevender geweest zijn. Zo verandert de kijk op het verleden en ons eigen verleden en komt het verleden steeds weer te staan in een ander daglicht. Daarbij doet het geheugen zijn filterwerking en wordt het in onze ogen minder belangrijke vergeten. Gebeurtenissen en ervaringen die diepe indruk gemaakt hebben, staan ons na vele jaren nog helder voor de geest.
Bij het herdenken worden ervaringen uit het verleden naar boven gehaald, in het heden geplaatst om te verwijzen naar de toekomst. Om uit het verleden te leren voor de toekomst. Denkend aan de oorlog te weten: dit mag nooit meer gebeuren. Kritisch en alert te zijn tegenover alles wat de democratie aantast, discriminatie, racisme en opkomend nationalisme.

In de bijbel staat het gedenken centraal. Het Joodse volk mag nooit vergeten dat het Gods volk is. Een levend geloof heeft zijn grond in een menselijke ervaring. In het O.T. is die oerervaring van het geloof de uittocht uit Egypte. God die zijn volk bevrijd heeft uit de slavernij, gevoerd uit het diensthuis en geleid door de woestijn. Omdat dit niet vergeten mag worden, wordt er ieder jaar Pesach gevierd. Op die avond wordt de uittocht uit Egypte herdacht, wordt het verleden present gesteld met op tafel het ongezuurde brood en het bittere kruid. Het is bij uitstek de avond van de traditie, van het doorgeven. Ieder jaar vraagt de zoon: vader, waarom is deze avond anders dan alle andere avonden. Dan vertelt de vader de verhalen van de uittocht en van de heilsdaden van God. Het verleden wordt herdacht, wordt aanwezig gesteld in het heden en wordt doorgegeven aan de volgende generatie.

Zo viert ook Jezus als zoon van zijn volk het Pesach met zijn leerlingen. Hij stelt zich in de traditie maar voegt er ook wat aan toe. Zo hoort het ook. Het verhaal van de traditie kan alleen op geloofwaardige wijze doorgegeven worden als die traditie zelf doorleefd is en het eigen levensverhaal eraan wordt toegevoegd. Op de avond van het Pesach neemt Jezus het brood, spreekt de zegen uit, breekt het en geeft het zijn leerlingen met de woorden: neemt, dit is mijn lichaam. En bij de beker: dit is het bloed van mijn verbond dat voor velen vergoten wordt.
Zo staat het in het evangelie van Marcus. De evangelist Lucas voegt eraan toe: dit is mijn lichaam dat voor u gegeven wordt. Doet dit tot mijn gedachtenis. Jezus voegt zijn leven, zijn levensverhaal aan het verhaal van bevrijding toe. Jezus gedenken betekent hem naleven, doen wat hij gedaan heeft, teken van bevrijding en hoop zijn, gerechtigheid en liefde doen.

We hebben het verhaal van de Emmaüsgangers gehoord. Twee mannen zijn op weg van Jeruzalem naar Emmaüs. In de Psalmen betekent opgaan naar Jeruzalem, naar de tempel, het huis des Heren, een vreugdevolle gebeurtenis. Als je Jeruzalem de rug toekeert, ga je als het ware de verkeerde kant op en moet er wat aan de hand zijn. Weg van Jeruzalem betekent droefheid. En dat zijn de twee mannen, ten diepste bedroefd. Jezus op wie zij al hun hoop gevestigd hadden, van wie ze dachten dat hij Israël zou verlossen, is door de hogepriesters en oversten van het volk ter dood veroordeeld en is de kruisdood gestorven. Alle hoop is weg want hij is al drie dagen dood. Dan hebben ze ook het verhaal gehoord van vrouwen die bij het graf geweest zijn en het lichaam van Jezus niet gevonden hebben, van engelen die zeiden dat hij leeft. Maar ze hebben Jezus niet gezien.
Wij zouden net zo gereageerd hebben. We weten dat Jezus dood is. Dat is een feit. Maar het andere verhaal van een leeg graf. Wat moeten we daarmee?
De twee mannen moeten de dood van Jezus eerst verwerken, een plaats in hun leven geven opdat ze ermee kunnen leven en verder kunnen met hun leven. Zolang een traumatische ervaring nog niet verwerkt is, is het verleden een blokkade naar een open toekomst.
Onderweg heeft een vreemdeling zich bij de twee mannen gevoegd en samen oplopend vertellen ze hun verhaal aan de vreemdeling die niet weet wat er allemaal in Jeruzalem gebeurd is. De vreemdeling is Jezus maar hun ogen waren bevangen, zodat ze hem niet herkenden. Ze zijn zo vol van de schokkende ervaringen uit het verleden, ondergedompeld in droefheid en wanhoop, dat ze hun ogen gesloten hebben voor alle hoop en toekomst.

Hoe kunnen de ervaringen van de twee mannen, onze ervaringen van ellende, ziekte en het weten van de onomkeerbaarheid van de dood verbonden worden met het verhaal van het lege graf. Dat kan alleen als wij met ons levensverhaal van droefheid en wanhoop in geloof willen luisteren naar het verhaal van God met de mens. Daarom legt de vreemdeling aan de twee mannen en aan ons de Schrift uit, het heilsplan van God met de mens. In de Schrift zien we dat ballingschap, lijden en dood niet het laatste woord hebben. God heeft zijn volk bevrijd uit Egypte en zal ook ons bevrijden.
Maar het uitleggen van de Schrift is nog niet voldoende. De mannen komen in Emmaüs en het is al avond. Ze vragen of de vreemdeling bij hen wil blijven. Aan tafel neemt de vreemdeling het brood, spreekt de zegen uit, breekt het en geeft aan hen. Dan worden hun ogen geopend en herkennen ze Jezus. Zoals in de liturgie de dienst van het woord en de dienst van de tafel bij elkaar horen, zo is het ook in dit verhaal. Jezus legt de Schrift uit maar wordt pas zichtbaar, concreet bij het breken van het brood.
Daarop gaan de mannen direct terug naar Jeruzalem. Ze hebben Jeruzalem in droefheid verlaten en keren in vreugde terug om aan de discipelen te vertellen wat zij hebben meegemaakt.

In het O.T. is de oerervaring van het geloof de uittocht uit Egypte, God die zijn volk bevrijdt. Vanuit die concrete ervaring is het O.T. geschreven. Het N.T. is geschreven vanuit de ervaring van Pasen. Die ervaring van Pasen heeft zo’n indruk gemaakt dat de evangelisten meer dan veertig, vijftig jaar na de dood van Christus hun evangeliën geschreven hebben. Geen journalistiek verslag van het leven van Jezus, maar een getuigenis van geloof.
Wij staan in de lange traditie van de overlevering. Wij geloven in het geloof van de evangelisten en eerste christengemeenten en dat is : Christus leeft.
Wij staan ook in de lange traditie van de geloofsgetuigen en wij moeten op onze beurt het verhaal doorgeven. Niet als een uit het hoofd geleerde les maar met een persoonlijke betrokkenheid. Het zal ons soms vergaan als de Emmaüsgangers, bedroefd, wanhopig. Maar we hebben ook zeker ervaren dat door het geloof onze droefheid veranderd is in blijdschap. Dat God ons door het donker van de wanhoop heen geleid heeft naar het licht. Dat wij met de Emmaüsgangers zeggen: blijf bij ons want het wordt avond. Maar dat we ook met de Psalmist kunnen zeggen: de avond komt met droefheid, met vreugde de nieuwe dag.
Als wij zo ervaren dat het geloof voor ons een kracht is, dat God bij ons is, dan kunnen wij door ons handelen ons geloof daadwerkelijk doorgeven en mogen wij met ons levensverhaal in de lange rij van geloofsgetuigen staan. Dan geloven wij in een levende God en hebben wij een levend geloof. Dan is de verrezen Heer voor ons een werkelijkheid en mogen wij met de Kerk van alle tijden zeggen: de Heer is opgestaan, ja hij is waarlijk opgestaan, alleluia. Amen.
Archief preken