Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Achterblijven

Viering: OVERWEGING OP DE ZEVENDE ZONDAG VAN PASEN

Lezingen:

  • Handelingen 1,12-14
  • Johannes 17,1-11a

Geschreven door: Pater Paul Begheyn SJ

Wat doe je als je achterblijft na het vertrek of overlijden van een geliefde persoon? Dat is de vraag die ons bezighoudt tussen Hemelvaart en Pinksteren. Het evangelie zoekt een houvast in een fragment uit het zogenaamd hogepriesterlijk gebed, dat Jezus uitsprak tijdens het laatste avondmaal. Maar met zoveel gecondenseerde woorden kun je over het algemeen de leegte niet vullen, die ontstaan is in je hart en je hoofd. Als je overdonderd bent door een ingrijpende gebeurtenis wil je het liefst zwijgen en met rust gelaten worden. Je komt samen, je hergroepeert je krachten, je bidt. Dat beschrijft de eerste lezing uit de Handelingen der Apostelen. De elf apostelen – Judas heeft op een akelige manier afgehaakt – komen bij elkaar op een vertrouwde plek, de bovenzaal, waaraan ze dierbare herinneringen bewaren. Ze worden alle elf bij name genoemd, met Petrus voorop. Maar de koppels, die de Lukas in het begin van zijn evangelie (6,14-16) noemde, zijn nu allemaal anders samengesteld. Het zijn niet meer de biologische broers die bij elkaar horen, maar een ander soort combinaties. Kennelijk bieden die meer garantie voor de toekomst. Opmerkelijk is dat meteen na de apostelen de vrouwen uit het gezelschap van Jezus worden genoemd, zij het zonder namen, zoals we dat kunnen verwachten in een cultuur waar vrouwen tweederangs zijn. Alleen moeder Maria wordt met name genoemd. Tenslotte worden de broers van Jezus genoemd, wederom zonder hun namen, maar die kennen we uit het evangelie van Markus: Jacob, Joses, Judas en Simon. De eerstgenoemde werd de leidende figuur van de vroege Kerk, een van de drie zuilen van de gemeenschap, volgens de apostel Paulus zelfs belangrijker dan Petrus. Uit dit kleine stukje tekst kunnen we dus heel wat opmaken over het begin van onze kerk: apostelen, vrouwen, een moeder en broers. Dat lijkt wel een beetje op onze parochiegemeenschap.
Vanmorgen wil ik met u terugblikken op de recente driedaagse reis van paus Franciscus in het Heilig Land: Jordanië, Palestina met Bethlehem en Jeruzalem, en Israël. De paus was als provinciaal van de Argentijnse jezuïeten al in oktober in Israël geweest in 1973, maar de Yom Kippoer oorlog dwong hem toen op zijn hotelkamer te blijven, waar hij het grootste deel van de tijd in de Bijbel las. Nu was hij er om een historische vrede te sluiten met de Oosters Orthodoxe kerk, en zijn invloed te gebruiken om de politieke en religieuze spanningen in het gebied te verkleinen. Op allerlei plekken heeft de paus het woord gevoerd, en uit al die toespraken wil ik drie fragmenten aanhalen, ter inspiratie.
Op het plein van de kribbe sprak hij over de geboorte van God als kind in ons midden: ‘In onze wereld, met al zijn hoogontwikkelde technologie, leven grote aantallen kinderen nog steeds in onmenselijke omstandigheden, aan de rand van de maatschappij. Teveel kinderen worden nog steeds uitgebuit, misbruikt, als slaven behandeld, een prooi van geweld en ongeoorloofde handel. Nog steeds leven teveel kinderen in ballingschap, als vluchtelingen, soms gaan ze verloren op zee. Als we dit erkennen voelen we schaamte tegenover God, die kind werd. En we moeten onszelf afvragen: Wie zijn wij, wanneer wij staan voor het kind Jezus? Wie zijn wij als we staan voor de kinderen van vandaag?’
Bij de Jordaan, waar Joannes Jezus doopte, hield paus Franciscus een korte overweging: ‘Hier liet Jezus zijn nederigheid zien, hij deelde in ons menselijk bestaan. Hij boog zich naar ons toe, en door zijn liefde herstelde hij onze waardigheid en bracht ons redding. In zijn nederigheid blijft Jezus ons ontroeren. Als ik kijk naar het lijden van mensen in het Midden Oosten, speciaal in Syrië, vraag ik me af: wie verkoopt wapens aan deze mensen om oorlog te voeren? Zie de wortel van het kwaad! Haat en financiële gulzigheid zijn de oorzaak van de productie en verkoop van wapens. Dit moet ons aan het denken zetten over wie verantwoordelijk is voor deze situatie.’
Bij de Klaagmuur sprak paus Franciscus een lang gebed uit: ‘Adam, waar ben je? Waar ben je, mens? Waar ben je toe gekomen? Bij dit gedenkteken voor de zes miljoen vermoorde joden horen we Gods vraag opnieuw: Adam, waar ben je? Deze vraag is vol van het verdriet van een vader die zijn kind heeft verloren. Zelfs de Vader kon zich zo’n grote val, zo’n diepe afgrond niet voorstellen. Almachtige God, een ziel in angst schreeuwt het uit naar u. Luister, God, en heb medelijden! Wij hebben gezondigd tegen u. U heerst voor altijd. Denk aan ons in uw barmhartigheid. Geef ons de genade om beschaamd te zijn over wat mensen gedaan hebben, beschaamd te zijn over deze massieve afgoderij, beschaamd dat wij uw eigen vlees hebben veracht en vernietigd. Uw eigen vlees, dat u hebt gemaakt uit de aarde, dat u leven gaf met uw eigen levensadem. Nooit meer, God, nooit meer!’
Op de terugweg naar Rome sprak de paus in het vliegtuig veertig minuten lang met journalisten, onder meer over het celibaat: ‘De katholieke kerk kent gehuwde priesters: Grieskatholieke, koptischkatholieke, en anderen van de oosters ritus. Maar omdat het celibaat geen geloofsdogma is, staat de deur altijd open.’ Ook sloot hij niet uit zelf als paus af te treden in geval van afnemende krachten. Deze paus blijft ons verrassen en hoop geven. Laten we God dankbaar zijn voor hem.
Archief preken