Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Klein geloof

Viering: 19e zondag door het jaar

Lezingen:

  • 1 Koningen 19, 9a en 11-13a
  • Mattheüs 14, 22-33

Geschreven door: Dr. J. Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,

Beide lezingen van deze morgen gaan over mensen met een te klein geloof. Niet alleen wij hebben soms een te klein geloof maar ook grote figuren uit de bijbel zoals Elia en Petrus. In het verhaal van de verheerlijking op de berg verschijnen Mozes en Elia aan Jezus als symbool van de Thora en de profeten. Het is de grote profeet Elia die verwacht wordt aan het einde der tijden voorafgaande aan de komst van de Messias. Petrus zal in de eerste christengemeente in Jeruzalem de centrale en leidende figuur zijn.
Elia leeft in de tijd dat Achab koning is over het Noordrijk. Over koning Achab staat geschreven dat hij deed wat kwaad is in de ogen des Heren, meer dan allen die voor hem geweest waren. Niet lang na de dood van koning Salomo valt het rijk uiteen in een Noord- en een Zuidrijk. Het rijk van de tien stammen met Samaria als hoofdstad en het Zuidrijk rondom Jeruzalem. Koning Jerobeam van het Noordrijk is bang dat zijn inwoners voor de godsdienstige feesten naar Jeruzalem zullen gaan en daar misschien blijven. Daarom richt hij in het Noordrijk tempels en altaren op in Dan en Bethel, laat twee gouden stierkalveren maken en stelt priesters aan uit alle kringen van het volk die niet tot de Levieten behoren.
Van koning Achab staat geschreven: het minst erge was dat hij wandelde in de zonden van Jerobeam, maar dat hij Izebel, een heidense prinses uit Sidon, tot zijn vrouw nam.

Honderden jaren heeft het Joodse volk er over gedaan om met vallen en opstaan afstand te doen van de goden van het land Kanaän en nu worden ze door Izebel weer het land binnen gebracht. In de Oudheid had ieder volk, iedere stad zijn eigen goden en was men zeer tolerant tegenover elkaars goden. Koningin Izebel vormt hierop een uitzondering. Ze voert de verering van de Baäl in. Achab gaat daar ijverig in mee en Izebel probeert de priesters van de Heer uit te roeien. Dan zegt Elia tot Achab dat er geen regen en dauw meer zal zijn dan door zijn woord. Er volgt een periode van drie jaar met droogte en hongersnood.
Tenslotte gaat Elia naar Achab toe en Achab zegt: zijt gij het die Israël in het ongeluk stort.
Hierop antwoordt Elia dat niet hij maar Achab zelf het land in het ongeluk stort door de verering van de Baäl.

Dan volgt het bekende verhaal van Elia op de berg Karmel. Achab moet zijn 450 profeten van Baäl bijeen roepen op de berg Karmel. Daartegenover staat Elia als de enige profeet van de Heer die overgebleven is. In tegenwoordigheid van het hele volk maken de profeten van Baäl en Elia ieder een altaar met daarop gebonden een stier. Beiden moeten hun God aanroepen en de God die met vuur antwoordt, is de ware God. De profeten van Baäl zijn de hele dag bezig met bidden en hun rituelen maar ze krijgen geen antwoord. Als het tijd is voor het avondoffer, bidt Elia: Heer, God van Abraham, Isaäk en Israël, heden moge bekend worden dat Gij God zijt in Israël en dat ik uw knecht ben en op uw bevel al deze dingen doe. Heer, antwoord mij opdat dit volk weet dat Gij, Heer, God zijt en dat Gij hun hart weer omkeert naar U toe. God antwoordt met vuur en verteert het offer van Elia. Het volk belijdt: De Heer, die is God.
Elia geeft nu de opdracht alle profeten van Baäl te grijpen en te doden.
Achab gaat naar huis en vertelt Izebel wat er gebeurd is met de profeten. Izebel stuurt een bode naar Elia dat zij hem de volgende dag zal laten doden. Daarop vlucht Elia naar Berseba, laat zijn knecht achter en gaat een dagreis de woestijn in.

Dan stort de man Gods in. Hij gaat onder een bremstruik zitten en wenst te sterven. Hij die gestreden heeft tegen de Baäl en die twee dagen daarvoor de kracht van de ware God ervaren heeft op de Karmel, die tijdens de hongernood gevoed is door de raven bij de beek Kirth.
Bij de weduwe van Sarfath zijn het meel en de olie niet opgeraakt. Omwille van zijn geloof heeft God zijn gebed verhoord en hem de dode zoon van de weduwe doen opwekken. Hij die altijd vanuit zijn geloof geleefd heeft met God, is nu ten einde raad. Hij is letterlijk en figuurlijk op een dood punt aangekomen. Gevlucht voor de wraak van Izebel, zit de dood hem op de hielen en voor hem ligt de dood van de woestijn. Elia slaapt in maar een engel raakt hem aan en zegt; sta op, eet en drink. De bode die Izebel naar Elia zond, was de bode van de dood. De engel, de bode die God zendt, is de bode van het leven. “Sta op “. Het is een van de kernwoorden van de bijbel. Mensen worden door het Woord van God wakker geschud.
Ze moeten opstaan en verder gaan. Ook wij moeten soms over een dood punt heen geholpen worden door de ander met een bemoedigend woord en een duwtje in de rug.
Elia eet en drinkt en gaat weer slapen en een tweede maal spoort de engel hem aan. Eet en drink want de reis is ver. Dan gaat Elia 40 dagen en nachten tot aan de berg van God, de Horeb.

Als wij het woord “ woestijn” horen dan denken we aan een zandwoestijn. De woestijn van Juda en de Sinaï waar Elia doorheen trekt, is woest bergland met kale rotsen en ravijnen. Na een lange reis via kronkelpaden komt men in een wijde vlakte en doemt een groot rotsmassief op van rood graniet, drie bulten met daarachter nog een top, de berg van Mozes.
Pater Lucas Grollenberg schrijft in zijn “Atlas van de bijbel”: het gezicht op de granietmassa vervult de mens met eerbiedige huiver. De atmosfeer, het licht, de kleuren, de bovenaardse stilte, alles werkt mee om dit landschap te maken tot een onvergelijkelijk decor voor een ontmoeting tussen God en mens.

Elia overnacht in een spelonk en dan komt het woord van de Heer tot hem: wat doet gij hier, Elia ? Dan komt het grote woord eruit. Ik heb zeer geijverd voor de Heer, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood en ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. Wat nu volgt, vind ik een van de indrukwekkendste passages uit de bijbel.
Elia moet op de berg gaan staan met het aangezicht voor de Heer. Juist als de Heer voorbij zal gaan, is er een geweldige en sterke wind die rotsen verbrijzeld. En in de wind is de Heer niet. Na de wind een aardbeving. In de aardbeving is de Heer niet. Na de aardbeving een vuur en ook daarin is de Heer niet. En na het vuur het suizen van een zachte stilte. Dan weet Elia dat het moment daar is. Uit eerbied bedekt hij zijn gelaat met zijn mantel en gaat aan de ingang van de spelonk staan.

De God van Israël is geen natuurgod die aanwezig is in de geweldige krachten van de natuur en zich daarmee vereenzelvigt. Niet in de storm, de aardbeving en in het vuur is Hij. Als de goden zwijgen, als onze stemmen verstommen, als buiten ons en in ons alles stil wordt, dan overvalt ons een huivering voor de stilte, voor het niets. In die onwezenlijke stilte openbaart zich de God van Israël, de Onzichtbare en Naamloze.
Vanuit deze stilte klinkt een stem: wat doet gij hier, Elia? Voor de tweede keer stelt God deze vraag en Elia beantwoordt de vraag zoals de eerste keer. Ik heb voor de Heer geijverd. Ze hebben uw verbond verlaten, uw profeten gedood en ik ben alleen overgebleven.
Eigenlijk is het een vreemd verhaal. Elia heeft zich ten volle ingezet voor de Heer, is met de dood bedreigd, gevlucht en in een crisis terecht gekomen. Opgewekt door de engel van het leven is hij de lange tocht naar de Horeb gegaan. En dan vraagt God: wat kom je doen? Twee keer stelt God die vraag en doet Elia zijn beklag. Izebel wil hem doden en hij is de enige profeet van de Heer die overgebleven is, hij staat helemaal alleen. Dat moet God toch begrijpen.
Nu denken we dat God hem toch wel zal troosten en in bescherming nemen. Maar niets daarvan. Het lijkt wel alsof God denkt: Ik ben altijd bij je geweest, heb je beschermd, heb je de kracht gegeven wonderen te doen en de Baäl te bestrijden. Ik heb op de Karmel laten zien dat ik de ware God ben. Ik heb je laten vluchten voor Izebel en je gevoerd naar de Horeb.
Ik heb mijn volk gevoerd door de woestijn naar deze berg en naar het land van belofte.
Je geloof was zo groot, Elia. Waar is het gebleven?

God stelt voor de tweede keer zijn vraag en Elia doet zijn beklag. Dan antwoordt de Heer: keer op je schreden terug naar de woestijn van Damascus en zalf daar Hazaël tot koning over Aram en Jehu tot koning over Israël. Zalf Elisa tot je opvolger als profeet. Keer op je schreden terug betekent: keer je om, bekeer je. Blijf hier niet op de berg in de stilte maar daal af want daar ligt je taak. Wij kijken naar boven, naar de hemel, naar God. En God verwijst ons naar beneden, naar de aarde. De bijbel is een praktisch boek en houdt niet van spirituele zwevers. In de concreetheid van alledag ligt de taak die God ons toebedeelt.
Dan zegt God ook nog: maar ik zal zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft. Daar kun je het mee doen, Elia.
Want Elia dacht steeds dat hij de enige was die zijn geloof in God behouden had.

Soms hebben ook wij een te klein geloof en lijken op Elia. Het kerkbezoek is de laatste tientallen jaren teruggelopen. Kerken worden gesloten of afgebroken. En dan hoor je wel eens zeggen: onze kinderen gaan niet meer naar de kerk. Als wij er niet meer zijn dan is het afgelopen met de kerk en dan bedoelt men niet alleen deze kerk maar de Kerk en het christendom in West-Europa. Wij zijn de laatste gelovigen. Is dat zo? Denkt u dat de Kerk die 2000 jaar bestaat in twee generaties te gronde gaat ? De Kerk heeft in deze 2000 jaar menige storm doorstaan. Er zijn periodes in de kerkgeschiedenis geweest dat het vlammetje van het geloof heel klein was en steeds is het weer aangeblazen door de kracht van de Heilige Geest, zijn er mensen geweest die de Kerk weer vitaliteit hebben gegeven en vernieuwd.

Sommigen zeggen: de Kerk zal wel blijven bestaan maar in een andere vorm. De Kerk is als een levend organisme, een lichaam, dat zich ontwikkelt, zich aanpast aan de omgeving en zichzelf vernieuwd. Er is in de loop der eeuwen heel wat in de Kerk veranderd, maar de grondvormen van de liturgie zijn dezelfde gebleven. Zij hebben hun zeggingskracht door de eeuwen heen bewezen. Door het tweede Vaticaans concilie is er in de jaren zestig heel wat veranderd in de Kerk, ook wat betreft de liturgie maar de grondvormen zijn dezelfde gebleven. De traditie moest niet afgeschaft worden maar bij de tijd gebracht, aggiornamento.
De traditie moest zo vertaald worden naar onze tijd dat ze weer bruikbaar werd en de moderne gelovige er wat aan had. Geen breuk met de traditie maar een vernieuwing.

Als men een grachtenpand uit de achttiende eeuw restaureert dan laat men de gevel in zijn oude vorm intact maar binnen wordt het veranderd want de bewoner wil wel het comfort van deze tijd. In de Kerk is het andersom. Er is heel wat aan de uiterlijke vormen veranderd, zoals kerkbouw, liturgie, kerkmuziek, maar de binnenkant, het hart van de Kerk, de bijbel en ons geloof, zijn niet wezenlijk veranderd. Na de vernieuwingen in de jaren zestig hebben veel katholieken de Kerk verlaten mede omdat ze de te snelle veranderingen niet konden meemaken. In de Nederlands Hervormde en Gereformeerde kerk zijn eigenlijk geen grote veranderingen geweest en toch is het kerkbezoek misschien nog wel sterker teruggelopen dan in de katholieke kerk. Ik denk dat we de oorzaak eerder moeten zoeken in de grote maatschappelijke veranderingen in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw.
Om te geloven, moet je kunnen luisteren. Maar we worden overstelpt door geluid en in de gejaagdheid van ons leven nemen we niet de tijd om ruimte en stilte te scheppen. We zijn bang voor de stilte om ons heen en in ons. Geloven is luisteren, omgeven worden door de stilte van God. Om dat te bereiken zullen we onszelf moeten veranderen en is het niet verstandig te sleutelen aan de eeuwenoude vormen van de Kerk.

U heeft alle kerkelijke veranderingen in de jaren zestig meegemaakt en u bent niet uit de kerk gestapt maar gebleven. U heeft opengestaan voor de vernieuwingen en bent in uw geloof meegegroeid met de Kerk en haar veranderingen.
U heeft aangevoeld dat er geen fundamentele breuk was tussen de Kerk van voor en na het Vaticaans concilie maar een continuïteit die berust op het geloof. Het is toen doorgegaan en zo zal het ook na ons doorgaan. Soms zien we het niet zoals Elia en verliezen we onze moed en onze hoop. U denkt: ik heb geprobeerd mijn kinderen christelijk op te voeden maar ze gaan niet meer naar de kerk. En toch, wat wij gezaaid hebben aan goede wil en geloof zal op de een of andere manier in goede aarde vallen en vrucht dragen. Daarvoor zal God zorgen. Hij laat zijn volk, ons, zijn Kerk, niet in de steek.
Elia moet weer aan de slag, twee koningen zalven en zijn opvolger als profeet want het gaat door. Zo moeten ook wij niet wanhopen maar ons geloof blijven doorgeven want wij zijn niet de laatsten. God waakt over zijn Kerk en met zijn hulp zal het doorgaan.

Amen.
Archief preken