Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Verantwoording voor onze naaste

Viering: 23e zondag door het jaar

Lezingen:

  • Ezechiël 33, 7-9
  • Mattheüs 18, 15-20

Geschreven door: Dr. J. Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,

Deze zondag gaat het over de verantwoording die we hebben voor onze naaste, dat wil zeggen de mens die ons pad kruist. Als wij de ander niet waarschuwen voor zijn onrechtvaardige en goddeloze gedrag, dan worden wij mede schuldig. We hebben de taak onze naaste te waarschuwen, tot de orde te roepen en op zijn gedrag aan te spreken.
De profeet Ezechiël spreekt over een wachter. Het volk stelt iemand uit zijn midden als wachter aan. Als er gevaar dreigt, een vijand, dan moet hij het volk waarschuwen. Luistert men niet naar de waarschuwing van de wachter en vallen er slachtoffers, dan is de wachter daarvoor niet verantwoordelijk. Hij heeft immers gewaarschuwd. Dreigt er gevaar en verzaakt de wachter zijn taak en waarschuwt niet, dan is hij wel verantwoordelijk voor het lot van zijn volk. God stelt Ezechiël aan als wachter over het volk van Israël.

Zijn wij ook wachters voor onze medemens. Hoever gaat onze verantwoording. Wie moeten wij waarschuwen en op zijn of haar fouten aanspreken?
Tegenover vreemden is dat geen eenvoudige zaak. Als je iemand waarschuwt voor een dreigend gevaar bijvoorbeeld in het verkeer, dan wordt dat meestal wel in dank afgenomen. Maar als de waarschuwing meer vermanend en corrigerend is, als je mensen aanspreekt op hun gedrag op de openbare weg, in het verkeer, in het openbaar vervoer, dan krijg je al gauw te horen: waar bemoei je je mee. En dat is dan nog het minst erge wat je kan overkomen.
Sommige mensen kunnen weinig velen van de ander en worden bij de minste aanleiding agressief naar de omgeving toe. Uit onvrede met zichzelf worden ze agressief tegenover de buitenwereld, mensen met een zogenaamd kort lontje die je helaas steeds vaker tegenkomt. Onder invloed van drank en drugs wordt dit gedrag nog versterkt. En wie een paar vechtende jongeren uit elkaar wil halen, loopt een groot risico zich de woede van de vechtende partijen op de hals te halen en zelf zwaar mishandeld te worden.
Ik kan me dan ook goed voorstellen dat mensen denken: ik zie niets, ik bemoei me nergens mee en houd mijn mond. Ze zoeken het zelf maar uit.

Mattheüs spreekt over uw broeder. Ik denk dat zeker in dit verhaal niet in de eerste plaats een wildvreemde bedoeld is maar iemand met wie ik op de een of andere manier een band heb en daardoor een oprechte bezorgdheid. Als een jongen in de tram het interieur zit te vernielen, dan wil ik gewoon dat hij daar mee ophoudt zonder dat ik om deze jongen bezorgd ben. Als een ouder tegen zijn kind zegt dat hij beter zijn best moet doen op school, dan komt dit voort uit een werkelijke bezorgdheid om de toekomst van zijn kind.
In welke richting moeten wij de uitleg zoeken van de lezing van vandaag? Daarvoor moeten we kijken naar het verhaal dat aan onze lezing vooraf gaat en het verhaal dat er op volgt.
Direct voor onze lezing staat het verhaal van iemand die honderd schapen heeft en één ervan is zoek. Hij laat de negenennegentig schapen in de steek en gaat op zoek naar het verdwaalde schaap. Als hij het gevonden heeft, heeft hij meer vreugde om dit ene schaap dan om de andere.

Na onze lezing wordt de vraag gesteld: hoeveel keer moet ik mijn broeder die tegen mij zondigt, vergeven? Zowel bij het verhaal van het verloren schaap als bij de vergeving van zonden gaat het om een band die verbroken is en weer hersteld moet worden. De herder heeft geen rust totdat hij het verdwaalde, verloren schaap gevonden heeft. Hij heeft een band met zijn schapen, is er bezorgd om en kan er geen een missen. Zoals het verdwaalde schaap verenigd wordt met de kudde, zo wordt door de vergeving weer toekomst gegeven aan een medemens, wordt hij weer opgenomen in de groep, in de maatschappij, hoort hij er weer bij. Iemand op zijn fouten wijzen, moet meer zijn dan een bestraffende wijsvinger. In het klein en in het groot, bijvoorbeeld in de politiek, heb je altijd mensen die kritiek hebben op een regering, alle fouten aanwijzen maar nooit met een positieve oplossing komen. Als ik werkelijk met iemand begaan ben, bezorgd, dan zeg ik niet alleen wat hij verkeerd doet maar geef ook aan hoe het anders zou kunnen en geef hem zo een blik in de richting van het goede.
Degene die bestraft wordt, moet het gevoel hebben dat de ander het goed met hem meent en hem niet kapot wil maken en te neer drukken. In de toon van het bestraffende woord moet de vergeving en verzoening al meeklinken. Als de zondaar tot inkeer komt en de goed bedoelde adviezen ter harte neemt en weer op het goede spoor komt, dan kan de band met de naaste hersteld worden, is er vergeving en verzoening. De goede snaar bij de ander treffen, zal beter lukken naarmate de band met de ander sterker is of was.

Mattheüs zegt: als uw broeder zondigt, ga dan naar hem toe en bestraf hem onder vier ogen. Je hangt het niet meteen aan de grote klok maar neemt hem apart. Een gesprek tussen twee mensen. Voor een dergelijk gesprek is een ware diplomatie nodig. Er voor zorgen dat het een echt gesprek is, een dialoog, waar beiden met elkaar spreken en oprecht naar elkaar luisteren. Met elkaar spreken op basis van menselijke gelijkwaardigheid want iedereen doet misstappen. De ander op zijn fouten aanspreken op zo een manier dat de ander niet dichtslaat maar zijn fouten erkent en inziet dat hij moet veranderen. Dat kan alleen door een beroep te doen op de redelijkheid van de ander die dan in alle eerlijkheid zal moeten toegeven dat hij fout gehandeld heeft. Maar als hij niet voor rede vatbaar is, niet luistert en ontkent dat hij fout gehandeld heeft, dan moet je er een of twee getuigen bij halen. In het boek Deuteronomium staat immers dat het getuigenis van twee of drie getuigen rechtsgeldig is. Als de zondaar naar deze mensen niet luistert, dan pas moet je het aan de gemeente, de ekklesia zeggen. Omdat onze broeder die zondigt tot de gemeente behoort, heeft de gemeente, de kerkelijke gemeenschap, ook een verantwoording voor het verdwaalde schaap. Als hij ook niet naar de gemeenschap waartoe hij behoort, luistert, dan heeft de gemeenschap alles gedaan waartoe zij bij machte was. Dan zal de zondaar beschouwd worden als een heiden of een tollenaar, dat wil zeggen als iemand die buiten de gelovige gemeenschap staat.

U ziet dat de gemeenschap niet over één nacht ijs gaat. Zij heeft van alles geprobeerd. Maar als een zondaar niet tot inkeer komt, dan plaatst hij zichzelf buiten de gemeenschap. Daarbij komt dat een zondaar binnen een gemeenschap een negatieve invloed heeft op de hele gemeenschap. Dan moeten we in de eerste plaats denken aan de gesloten gemeenschappen waarvan in de bijbel sprake is. Kleine, hechte gemeenschappen te vergelijken met de vroegere dorpsgemeenschappen waar iedereen elkaar kende en alles van elkaar wist. Misstappen, onrecht, verbroken relaties leggen een grote druk op een gesloten gemeenschap. Het werkt bevrijdend schoon schip te kunnen maken en in een kerkelijke gemeenschap alles te kunnen uitspreken, daarbij wetend dat de Kerk niet alleen veroordeelt maar ook woorden van vergeving en verzoening mag spreken namens God.
We hoeven gelukkig niet iedereen op zijn of haar fouten aan te spreken maar voelen heel goed aan waar onze verantwoordelijkheid ligt en waar onze woorden mogelijk weerklank vinden, te beginnen in de kleine kring om ons heen.
Wij hebben een grote taak te vervullen, ja een herderlijke taak. Zoals de herder het verdwaalde schaap weer bij de kudde brengt, zo hebben wij de taak de verdwaalde, vastgelopen medemens te helpen en de kans te geven weer op het goede spoor te komen. Zonde betekent dat de relatie met een medemens en met God gebroken is. Onze taak is het de verdwaalde mens te helpen de relatie met zijn medemens en God weer te herstellen en hem de mogelijkheid te bieden weer deel uit te maken van de gemeenschap, de gemeente. Wat wij zo binden, zal in de hemel, dit wil zeggen voor God ook gebonden zijn.
Als in de gemeente de relatie met een medemens hersteld wordt, dan wordt ook de relatie met God hersteld.

Zwijgen over misstanden, ze in de doofpot stoppen en verdringen, is funest voor iedere gemeenschap en ook voor de Kerk zelf. De Kerk die altijd spreekt over zonde, vergeving en verzoening, heeft zelf niet de kracht gevonden de misstanden binnen haar muren bespreekbaar te maken op de wijze die het evangelie ons leert. Dat is niet alleen jammer maar ook tragisch.
Geestelijken die geworsteld hebben met hun grote problemen maar niet de moed en de kracht gehad hebben om het in eigen kring ter sprake te brengen en hulp te zoeken.
Als we zelf in de problemen zitten en aangesproken worden op onze fouten, laten we dan niet zwijgen maar spreken ook al schamen we ons voor onszelf. Want indien ons hart ons veroordeelt, God is groter dan ons hart en Hij weet alles. Amen.
Archief preken