Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Aarzeling en twijfel

Viering: Beloken Pasen

Lezingen:

  • Handelingen 4, 32-35
  • Johannes 20, 19-31

Geschreven door: Dr. J. Verhoeven

Broeders en zusters in Christus,

De afgelopen maanden vanaf Kerstmis zijn wij de levensweg van Jezus gevolgd van Galilea naar Jeruzalem aan de hand van het evangelie van Marcus. Wij hebben in de Goede Week het lijdensverhaal gehoord van Marcus. Maar het verhaal van de opstanding met Pasen?
In de Paaswake hoorden we de versie van de evangelist Lucas en op de Paasmorgen die van Johannes. Zou er iets aan de hand zijn met het verhaal van de opstanding bij Marcus?
In de oudste handschriften eindigt het evangelie van Marcus bij hoofdstuk 16 vers 8.
De vrouwen zijn op de Paasmorgen naar het graf gegaan. En toen zij in het graf gegaan waren, zagen zij een jongeling zitten met een wit gewaad en ontsteltenis beving hen. Hij zei tot hen: Jezus zoekt gij, de gekruisigde, Hij is opgewekt, Hij is hier niet; zie de plaats waar ze Hem neergelegd hadden. Maar gaat heen, zegt zijn discipelen en Petrus dat Hij u voorgaat naar Galilea; daar zult gij Hem zien gelijk Hij u gezegd heeft. En zij gingen naar buiten en vluchtten weg van het graf want siddering en ontsteltenis had hen bevangen. En zij zeiden niemand iets, want zij waren bevreesd. Zo luidt het oorspronkelijke einde van het evangelie van Marcus.
Het is een aangrijpend, realistisch slot. Vrouwen die van angst in paniek wegvluchten.
Heel menselijk. Wij zouden het ook hebben gedaan. U snapt dat de kerk op Pasen met zo een verhaal niet wil aankomen. Maar het geeft wel aan dat het voor Marcus, de eerste die een evangelie schreef, nog allemaal niet zo duidelijk was, veertig jaar na de dood van Jezus.
De eerste christelijke gemeente is schoorvoetend begonnen, met aarzeling en twijfel. Twijfel die plaats heeft moeten maken voor de verkondiging van de kerk met de zekerheden van leergezag en dogma’s waaraan niet getwijfeld mag worden. Een kerk die het geloof vastgelegd heeft in onwrikbare zekerheden, een in beton gegoten leer.

Iets van die menselijke onzekerheid zien we deze zondag terug in het evangelie van Johannes met het verhaal over de zogenaamde ongelovige Thomas. Op de avond van de dag van de verrijzenis zijn de discipelen bij elkaar. Ze hebben gehoord dat Jezus verrezen is en dan staat hij in hun midden. Het eerste wat Jezus zegt is “vrede” en toont hen zijn handen en zijn zijde. Dat wil zeggen: weest niet bevreesd, ik ben bij jullie, ik ben het echt, met een lichaam waarin de tekenen van het lijden nog zichtbaar zijn. Jezus geeft vrede, sjaloom, de volheid van een leven in gerechtigheid. Vrede vindt de mens als de relatie met God, de medemens en zichzelf in orde is. Dan verandert vrees in blijdschap zoals bij de discipelen.
Bij Johannes gebeurt er op deze avond veel. Jezus zegt voor een tweede keer “vrede”.
Gelijk de Vader mij gezonden heeft, zend ik ook u. Jezus is door de Vader gezonden om de heerlijkheid van de Vader openbaar te maken in deze wereld. De heerlijkheid van God is een ander woord voor zijn glorie en majesteit die tot uitdrukking komt in zijn grondeloze liefde voor de mens die zichtbaar wordt in Jezus. Dat is de zendingopdracht die Johannes al eerder verwoord heeft. Zoals Jezus zijn discipelen heeft liefgehad, zo moeten ook de discipelen elkaar liefhebben. Om die liefde te kunnen uitdragen, ontvangen ze de Heilige Geest.
Bij Johannes vallen Pasen en Pinksteren letterlijk op één dag.

Thomas is er op die avond niet bij. Hij hoort van de andere discipelen dat zij de Heer gezien hebben en kan het niet geloven. Hij zal pas kunnen geloven als hij zijn hand op de wonden van het lijden kan leggen en een tastbare ervaring heeft. Is dat zo vreemd? Zo zou het ons toch ook vergaan.
Het is een mooi voorbeeld van de twee manieren waarop we kunnen geloven. Geloven als een op hoger gezag aannemen wat pastoor, dominee en het kerkelijk leergezag zeggen dat je moet geloven. Een geloof dat vastgelegd wordt in vraag en antwoord van de catechismus.
De andere manier van geloven komt voort uit een menselijke ervaring. Geloven als een persoonlijke stellingname, een persoonlijke keuze. Zo is het ook met Thomas. Hij wil niet op andermans gezag aannemen maar ervaren wat de andere discipelen ook ervaren hebben.
De andere discipelen hebben van Maria van Magdela gehoord dat Jezus verrezen is en wat hij gezegd heeft. Maar toch moet hij eerst in hun midden verschijnen voordat er blijdschap is. Ook bij hen is horen zeggen niet genoeg maar is de zintuiglijke ervaring nodig. Ook bij hen komt pas het geloof als ze gezien hebben.

Maar wat heet in deze context zien? Als leek kun je naar een bouwtekening of partituur kijken maar je begrijpt er niets van terwijl de architect en dirigent ze kunnen lezen en begrijpen. Zien en begrijpen vragen om voorkennis en achtergrond. Zo is het ook met het geloof. Stel dat op die avond bij de discipelen iemand geweest was zonder gelovige achtergrond. Die had waarschijnlijk niets gezien of hoogstens gedacht aan een zinsbegoocheling. Zijn zien had nooit gevoerd tot de ervaring van de verrezen Christus. Om te kunnen zien met de ogen van het geloof moeten we al staan in het geloof.
En geloven is een gave van de Heilige Geest die onze ogen opent en ons laat zien met de ogen van het geloof. Zonder de Heilige Geest kunnen wij het mysterie van Pasen niet duiden en kan de verrezen Christus door ons niet ervaren worden en geen werkelijkheid voor ons worden. Daarom vindt bij Johannes de uitstorting van de Heilige Geest plaats op de avond van de verrijzenis.

Maar hoe zit het met ons? Wij hebben ook een geloof uit de overlevering, van horen zeggen, van onze ouders en door jarenlang kerkbezoek. Is bij ons dat geloven op hoger gezag geworden tot een levend geloven, tot een ervaring van inwendig geraakt zijn, tot een werkelijkheid voor mij? Als ik zeg dat Christus verrezen is, spreek ik dan alleen uit wat de Kerk verkondigt of heb ik wel eens de ervaring van opstanding gehad en is het voor mij een doorleefde werkelijkheid geworden. Maar opstanding, dat is iets toch voor na de dood? In de hele bijbel horen we: sta op en trek verder. Mensen worden geroepen om op te staan, Abraham, Mozes, het Joodse volk, Elia.
Het verhaal van opstanding in dit leven is het verhaal van de verloren zoon. Hij die op het dieptepunt van zijn leven is aangekomen zegt: ik zal opstaan en naar mijn vader gaan. Als hij thuiskomt zegt de vader tot twee keer toe: mijn zoon was dood en is weer levend geworden.
Opstanding, dat is wakker worden uit de slaap van de zelfverzekerdheid, van het eigen gelijk, bevrijd worden van welke verslaving dan ook, tot inzicht komen dat de dingen die wij vaak zo belangrijk vinden, dat helemaal niet zijn. Zo kunnen we spreken over mensen die levend dood zijn, die leven in een sleur waar alles vanzelfsprekend is, zonder vragen, zonder verbazing en verwondering, nooit van binnen geraakt. Als wij ons willen laten raken, aanraken, dan zijn er steeds momenten in ons leven die wij kunnen ervaren als opstanding.

Wachten op de opstanding na de dood heeft geen zin als we niet in dit leven al willen opstaan en verder gaan, hier en nu opstanding ervaren als een werkelijkheid in ons leven. Ons geloof hoeft niet rotsvast te zijn en mag aarzelend beginnen. Maar in ieders leven zijn momenten die wij vanuit het geloof mogen duiden als tekenen van opstanding. Iemand geeft je troost en moed zodat je weer verder kunt, heeft een luisterend oor, begrip, geeft je inzicht, veroordeelt niet maar helpt je er weer bovenop. Dan ervaren wij door de hulp van de ander wat opstanding concreet is. Dan wordt het geloof van horen zeggen voor ons een levende werkelijkheid en ervaren wij de betekenis van Pasen in ons leven. Amen.
Archief preken