Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Het wonder van het brood

Viering: OVERWEGING OP DE EENENTWINTIGSTE ZONDAG DOOR HET JAAR

Lezing:

  • Johannes 6, 60-69

Geschreven door: Pater Paul Begheyn SJ

‘Dit gaat te ver! Hier kunnen we niet naar luisteren!’ Zijn wij ook wel eens zo uitgesproken als de volgelingen van Jezus in de passage uit het evangelie van Johannes van vanmorgen? Waar hadden zij dan zoveel moeite mee? Om dat te ontdekken moeten we een bladzijde terug in de tekst van het moeilijkste van de vier evangelies. Daar schrijft Johannes uitvoerig over het wonder van het brood. Veel mensen gaan Jezus achterna, en hij geeft iedereen te eten. Vervolgens loopt hij over het water. De mensen blijven op zoek naar hem. Jezus vertelt hun over het hemelse brood. Hij zelf is dat hemelse brood. En dat brood geeft eeuwig leven. Het brood dat het hongerige joodse volk in de woestijn ontving, het manna, gaf dat eeuwige leven niet. ‘Ik ben het ware hemelse brood, en wie het ware hemelse brood eet, zal eeuwig leven.’
Waar gaat het hier dan toch over? Jezus vraagt van zijn volgelingen dat zij anders gaan denken, en dus anders gaan leven. Zij moeten alles niet zo letterlijk verstaan, door te zeggen: ‘Hoe kan hij nu zijn lichaam aan ons te eten geven!’ Zij worden uitgedaagd om de diepere lagen onder de woorden en daden van Jezus te ontdekken. Het heeft niet veel zin om te protesteren, of, zoals een oude Nederlandse vertaling zegt, te ‘murmureren’, te morren. Wat zijn die diepere lagen dan wel? Dat je het geschenk van het eeuwig leven met open handen aanvaardt, door met Jezus mee te gaan.
Maar het lijkt me goed om nog eens apart in te zoomen op die tekst, die niet alleen de volgelingen van destijds in moeilijkheden bracht, maar ook voor ons geen eenvoudige kost is. Jezus zegt: ‘Jullie moeten mijn lichaam eten en mijn bloed drinken.’ Is dat een uitnodiging om een soort kannibaal te worden? Dat kan toch niet de bedoeling zijn!
We zijn eigenlijk behoorlijk gehandicapt om die tekst te verstaan, want hij is tweeduizend jaar oud, en stamt uit een volledig andere cultuur dan de onze. De woorden ‘vlees’ en ‘bloed’ klinken wel hetzelfde, maar hun betekenis is verschoven. Lichaam, ziel en geest vormden in het bijbels spraakgebruik een eenheid, bestaande uit drie geledingen. Je kon dus de hele mens aanduiden met een enkel woord als ‘lichaam’ of ‘bloed’. ‘Jullie moeten mijn lichaam eten en mijn bloed drinken’ moeten we dus verstaan als: Jullie moeten mijn gehele wezen in je opnemen.
In de loop van de eeuwen is het joodse, mystieke taalgebruik in de klem gekomen, doordat woorden en beelden, in navolging van de Griekse filosofie, als tastbare dingen werden aangeduid. Elk spiritueel begrip moest je kunnen vastpakken, bekijken, ja zelfs aanbidden. De theologie ontwikkelde zich steeds meer in die richting, en bereikte een hoogtepunt op het vierde concilie van Lateranen in 1215. Daar werd voor het eerst het woord transsubstantiatie gebruikt, wat zoveel wil zeggen als: bij de consecratie verandert de substantie van brood en wijn in een goddelijke substantie, met alle gevolgen vandien voor de aanwezigheid van Christus. Bovendien betekent substantie in de Middeleeuwen heel wat anders dan nu. Zo zie je maar weer, dat theologie is niet per se de beste vertolker van onze religieuze ervaring is.
Een theoloog uit mijn kennissenkring stelde dit probleem gisteren aan de orde in een klein artikel op de website van Ignis Webmagazine, enkele jaren geleden opgericht door de Nederlandse en Vlaamse jezuïeten: ‘Het geheim van Christus’ werkelijke aanwezigheid in de eucharistische gaven van brood en wijn is wellicht een van de lastigste mysteries van het christelijk geloof. Je moet heel wat geloof meebrengen om in dit geheim mee te komen. Bezinning erop verzandt al snel in ingewikkeldheden. Hoe zit het met de tekenwaarde en de werkelijkheidswaarde van brood en wijn? Wat is de rol van de taal in de consecratiewoorden? Hoezo ‘aanwezige afwezigheid’ en ‘afwezige aanwezigheid’ tegelijkertijd? Kan het echt niet eenvoudiger? Het geheim van Christus’ werkelijke aanwezigheid in de eucharistie zou wel eens veel meer te maken kunnen hebben met gebrek aan innerlijke aanwezigheid van onze kant dan met ingewikkeldheden over de werkelijkheidsvraag van zijn kant. Zijn wij vaak niet eerder ‘afwezig’ dan ‘aanwezig’? Wellicht is de ontmoeting met Christus in de eucharistie van zijn kant niet veel anders dan een ‘ik ben er al’. Nu wij nog.’ [Henk Witte in Ignis Webmagazine]
Dit is geen lichte kost. Ik heb er flink mee geworsteld gedurende de afgelopen week, en nu presenteer ik u nog steeds geen lichte kost. Als u het allemaal te veel of te hoog of te duister is, dan houdt u maar vast aan het wezen van boodschap van Jezus: ‘Jullie moeten mijn gehele wezen in je opnemen.’ Daar gaat het om. Dat je ervaart dat God in je is, en dat zijn aanwezigheid je vult met liefde en aandacht. En natuurlijk ook dat je niet wegloopt zoals veel volgelingen van Jezus deden en doen.



Op momenten dat wij in een zwarte woestijn zitten en boos bij onszelf zeggen ‘Dit gaat te ver!’, kunnen wij proberen de stem van Jezus te horen, die tegen ons zegt: ‘Wil jij soms ook heengaan?’. Kunnen wij dan de moed opbrengen om zoals Simon Petrus te antwoorden: ‘Heer, naar wie zou ik toe moeten gaan? U spreekt woorden die eeuwig leven geven!’ En dan tegen onszelf zeggen: ‘Allez, vooruit!’ Met Gods genade kun je het.
Archief preken