Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Hij hoort niet bij ONS

Viering: 27e zondag door het jaar

Lezingen:

  • Numeri 11, 24-29
  • Marcus 9, 38-50

Geschreven door: Pater Paul Begheyn SJ

Toen ik afgelopen week het evangelie van vandaag onder ogen kreeg, moest ik meteen terugdenken aan een gebeurtenis van ruim tien jaar geleden. Ik was in Denekamp voor een conferentie, en op woensdag was er een eucharistieviering, waarin een tamelijk hardhorige priester voorging. Halverwege de evangelietekst knalde hij eruit: ‘Hak haar af! Hak hem af! Ruk het uit!’ Mensen in de kerk konden het niet laten om elkaar aan te kijken en stiekem te grinniken. Maar eigenlijk zaten we, voorganger en toehoorders, nogal in onze maag met deze tamelijk brute uitspraken van Jezus. Er zijn trouwens ook schokkende consequenties getrokken uit die tekst, zoals de theoloog Origenes uit de derde eeuw na Christus, die zoveel last had van seksuele aanvechtingen, dat hij letterlijk zijn lastige lichaamsdeel afhakte, en gecastreerd verder door het leven ging, overigens tegen het uitdrukkelijke advies van zijn bisschop in. Met of zonder bisschop, voor mensen die impulsief en onverstandig met de bijbel omgaan, kan het wel eens verkeerd aflopen.
Laten we teruggaan naar het begin van de evangelietekst. Daar kunnen we ontdekken hoe Jezus reageert op volgelingen die menen te weten waar God grenzen trekt. Apostel Johannes wil dat Jezus ingrijpt, en iemand tegenhoudt die demonen uitdrijft. ‘Wij hebben hem tegengehouden, omdat hij geen volgeling van ons was’ , zegt hij verontwaardigd. Met die woorden gaat Johannes eigenlijk meteen de fout in. Het is een fout, die tot op de dag van vandaag goed bedoelende christenen aan de top of aan de basis of in het midden van de kerk maken. Ze veroordelen iemand omdat die geen volgeling van ons is, in plaats van te kijken of iemand een volgeling van Christus is. En dat, zegt Jezus, is dus niet het criterium. De toetssteen is of je iets doet, dat het rijk van God gestalte geeft. Dat zijn soms spectaculaire daden, zoals het uitdrijven van demonen. Soms gaat het om iets heel simpels, zoals het geven van een beker koud water aan een dorstig iemand. Het paspoort tot de hemel is niet of je alle dogma’s weet en je catechismus kent, maar of je een hart in je lijf hebt voor anderen. Als je dat niet hebt, dan kun je maar beter met een molensteen om je nek verdronken worden. Met zulke harde woorden wil Jezus doordringen in die harde, eigenwijze koppen van zijn leerlingen, die keer op keer laten blijken dat ze van zijn boodschap niets begrepen hebben. Zij willen enge grenzen, terwijl God juist de grenzen wil openbreken.
De leerlingen van Jezus hadden beter kunnen weten, want in het boek Numeri had Mozes al iets dergelijks aangegeven. Daar ging het om twee profeten, die een beetje buiten de boot waren gevallen. Ze profeteerden in het kamp, ook al waren zij niet in de tent geweest waarover God in een wolk was neergedaald om aan alle zeventig aanwezigen de geest van Mozes door te geven. Dat kon niet, vond men. En die ‘men’ was dit keer niet een officiële apostel, zoals Johannes, maar een niet met naam en toenaam bekende jongen. Kennelijk heb je van die sektarische scherpslijpers ook onder jonge mensen. Ging het in het evangelie volgens Marcus om een anonieme demonen-uitdrijver, in het boek Numeri worden de aangeklaagden met name genoemd: Eldad en Medad. Dat zijn niet zomaar namen; in de bijbel staan namen er nooit zomaar; ze hebben altijd een diepere betekenis, ze zijn met zorg en expres zo gekozen. Eldad en Medad. Eldad betekent ‘God bemint’ en Medad betekent ‘Beminde’. Aan hun namen valt al af te lezen dat God van hen houdt. God houdt ook van mensen die leven en handelen buiten de grenzen die door mensen getrokken worden. Ook buiten de wetten van synagoge en kerk is het heil van God te vinden. Wee de gelovige, die plaats neemt op de rechterstoel van God! Wee degene die meent dat God alles al gezegd heeft; het zou kunnen zijn dat hij of zij nog nooit echt geluisterd heeft. De ware gelovige durft zich te laten verrassen door God. De ware volgeling van Jezus durft grenzen te overschrijden. De ware zoon of dochter van God weet dat de sabbat er is voor de mens, en de mens niet voor de sabbat.
Nog een laatste woord over de profeten Eldad en Medad en de anonieme uitdrijver van demonen. In de loop van de jaren ben ik meer en meer tot de overtuiging gekomen, dat onheilsprofeten zelden of nooit met onze God te maken hebben. Zulke onheilsprofeten zijn meestal uit op eigen macht en gewin, en zij trachten andere mensen aan zich te onderwerpen door te strooien met hel en verdoemenis, en door mensen angst aan te jagen. Een van de helderste voorbeelden daarvan zijn profeten die het einde van de wereld aankondigen. Ze voorspellen een datum, brengen hun angstige volgelingen bij elkaar op een berg in Mexico of een dal in Spanje, en nemen het geld van hen in bewaring met de mededeling dat je dat toch niet kunt meenemen in de eeuwigheid. De voorspelde datum breekt aan, er gebeurt uiteraard niets, en de onheilsprofeet is er vandoor met de centen, terwijl zijn volgelingen ontredderd achterblijven.
Wie een ander angst aanjaagt, spreekt nooit namens God. God troost en bevestigt en daagt uit, maar God jaagt nooit angst aan. De ware profeten van God komen met een boodschap van vrede en gerechtigheid. De ware profeten verkondigen woorden, zoals Jezus: ‘Heb zout in jezelf, en leef in vrede met elkaar.’ Met die woorden kunnen we weer vooruit voor de komende dagen, want dat is evangelie, dat is goed nieuws, dat is blijde boodschap. Daar mogen we dankbaar voor zijn en eucharistie vieren.
Archief preken