Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Als het kwaad goede mensen treft

Viering: OVERWEGING OP DE DERDE ZONDAG VAN DE VEERTIGDAGENTIJD

Lezing:

  • Lucas 13, 1-9

Geschreven door: Paul Begheyn SJ

Preek van 28 februari:

‘Als het kwaad goede mensen treft’. Zo luidt de titel van een boek van de Amerikaanse rabbijn Harold Kushner, dat in 1984 verscheen, en ogenblikkelijk een bestseller werd. Het is geschreven voor mensen die verdriet te verwerken krijgen en zich afvragen hoe dit zich verhoudt ten opzichte van de almacht en de rechtvaardigheid van God. Kushner weet waarover hij praat want zijn zoontje stierf aan een weinig voorkomende ziekte. Ook gaat hij in op wat de joden tijdens de Holocaust hebben moeten doorstaan. ‘Als het kwaad goede mensen treft’ is een kwellende vraag die vanaf het begin van de wereld tot op vandaag gesteld wordt. ‘Waarom laat God toe dat mijn kind aan kanker sterft’, roepen wanhopige ouders. ‘Waarom moesten mijn kinderen en kleinkinderen sterven bij het neerhalen van de MH17 door pro-Russische rebellen in Oekraïne?’ ‘Waarom verdronken zoveel mensen uit Syrië en andere landen in het Midden-Oosten, die in hun gammele bootjes op weg waren naar het veilig geachte Europa?’ Bij de laatste twee vragen kunnen wij zonder probleem en zonder uitstel de vinger wijzen naar kwaadaardige en gewetenloze mensen. Dat geldt ook voor de vrome joden die in de tempel vermoord werden door Pilatus, volgens Lucas in het evangelie van vandaag. En het geldt vermoedelijk ook voor de achttien mensen, die omkwamen bij de instorting van de toren in Siloam in het zuidoosten van Jeruzalem. Het zou niet de eerste noch de laatste keer zijn dat corrupte projectontwikkelaars mensenlevens in gevaar hebben gebracht.
Maar in geval van natuurrampen en ziekten wordt het een ander verhaal. Wie getroffen wordt door een ramp zoekt al gauw naar een schuldige, naar iemand die verantwoordelijk gehouden kan worden. Het doelwit van de frustratie kan dan een partner zijn, een arts, een voorbijkomende kennis. Maar heel vaak is het ook God, op wie een mens zijn woede richt. Vaak betekent dat zelfs het definitieve eind aan de relatie met God. Ex-gelovigen namen het God zeer kwalijk dat hij het liet afweten. Of dat terecht is, is een vraag die je niet kunt stellen midden in het verdriet.
Jezus zegt tot tweemaal toe: ‘Jullie moeten je leven veranderen.’ Onder die opdracht zit misschien ook wel de uitnodiging om ons beeld van God te veranderen. Alleen met mensenwoorden kunnen we iets zeggen over God. En dus, en in elk geval is God geen boeman en sadist, die naar believen kankers, lawines en tsunami’s over de wereld strooit. Hij is geen almachtige tiran, die zich niets gelegen laat liggen aan wie wij zijn en wat wij voelen. Als je zo’n beeld van God zou hebben, dan weet je absoluut zeker dat je met een afgod te maken hebt. In die zin durf ik zeggen, dat God soms net zo radeloos en machteloos is als wijzelf. Als wij God almachtig noemen, lopen wij het gevaar dat hij ons in tijden van nood verraadt, omdat hij niet bij machte is om het lijden en de dood uit te schakelen. Waartoe hij wel in staat is, is ons nabij te zijn in de meest wanhopige situaties, zoals een geliefde bij je kan zijn, zonder dat hij in staat is om je te genezen of je verdriet weg te nemen.
In de parabel van de vijgenboom krijgen we een glimp van wie God voor ons zou kunnen zijn. De vijgenboom is een beeld van de mens of van de mensheid, die al drie jaar geen vruchten draagt. De tuinman voorkomt dat die onvruchtbare boom wordt omgehakt. Is het misschien dezelfde tuinman, die na Pasen sprak met Maria Magdalena? Is de tuinman misschien Jezus, die een pleidooi houdt voor geduld? God is dan degene die geduld met ons heeft, die het met ons uithoudt, zelfs als we onvruchtbaar zijn. God en mens zijn geen concurrenten, maar compagnons, kameraden, die op elkaar kunnen rekenen, in goede en in kwade dagen.
Ongelukken en rampen zijn geen straf voor de zonde, al werd en wordt dat nog zo vaak gezegd. De mens kan niet verhinderen dat God goed voor ons is. Dat is iets om in deze veertigdagentijd meer dan ooit te ervaren. Wij kunnen leven dankzij het geduld van God. Dankzij zijn barmhartigheid krijgt ieder van ons nieuwe kansen, niet alleen ten bate van onszelf, maar ook ten bate van hen die aan onze zorgen zijn toevertrouwd: onze partners, onze kinderen, onze ouders, onze vrienden, maar ook in het bijzonder degenen die geen stem en onderdak hebben. De veertigdagentijd is ook een periode waarin we bekennen dat we tekort geschoten zijn in onze aandacht voor anderen, ons geduld met anderen, ons geduld met onszelf. Misschien is het grootste tekort wel, dat wij te weinig dankbaar zijn voor de nieuwe kansen die we krijgen, voor de liefde die ons plotseling overkomt, voor de adem van Gods geest die onze angst vermindert.
Betekent dit nu, dat God een soort watje is, die niets kan en niets durft? Allerminst. Iedereen kent in zijn leven momenten en gebeurtenissen, waarin hij oog in oog met God heeft gestaan, die vroeg: ‘Waar was je nou? Waarom liet je het afweten? Hoe kon je zo gevoelloos zijn?’ Het is dan aan ons om te bekennen dat we tekort geschoten zijn, en onvruchtbaar gebleven zijn. Op die manier geven wij hoop een nieuwe kans.
Archief preken