Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

26e zondag door het jaar

Viering: 26e zondag door het jaar

Lezingen:

  • Amos 6,1a en 4-7
  • Lucas4, 19-31

Geschreven door: Dr. Jan Verhoeven

Zusters en broeders in Christus,

In de omgangstaal gebruiken we het woord “geloven “ op vele manieren die met de echte betekenis niet zoveel te maken hebben. “Ik geloof dat ik morgen een afspraak heb”. Ik geloof dat ik wat vergeten ben. Het woord “geloven “ krijgt dan de betekenis van: ik weet het niet zeker, ik twijfel, ik wil nog niet toegeven dat ik werkelijk iets vergeten ben. Als iemand een heel fantastisch verhaal vertelt, kun je zeggen: geloof je dat nou zelf. Meen je werkelijk wat je zegt of houd je me voor de gek.
We lezen een krant, een tijdschrift of een boek en als het niet al te onwaarschijnlijk is dan geloven wat daar staat. We vertrouwen op de kennis van de schrijver die er meer van af weet dan wij en nemen voor waar aan wat hij geschreven heeft. Geloven als het voor waar aannemen van wat een hogere autoriteit ons zegt. Deze betekenis van geloven komt ook in de kerk voor. Mensen die iedere zondag trouw naar de kerk gaan, naar de preek luisteren en voor waar aannemen wat pastoor of dominee vertellen, Bijbelkennis hebben en de catechismus in vraag en antwoord misschien nog wel uit hun hoofd kennen. Daarvan zeggen we dat dat toch wel kerkse, gelovige mensen zijn. Deze manier van geloven kun je zittend af.
Maar geloven is een werkwoord. We kunnen wat we in de kerk horen voor kennisgeving aannemen. Maar het is de bedoeling dat we ons betrokken voelen, aangesproken, dat we een persoonlijke keuze maken, ons engageren. Hier wil ik me voor inzetten zodat een passief geloof een geloof van handelen wordt. De Bijbel is dan ook in de eerste plaats een praktisch boek met een heel concrete opdracht, werken aan gerechtigheid en vrede, opkomen, partij kiezen voor de armsten in de samenleving, wees, weduwe en de vreemdeling in ons midden. Actueler kan het niet.

Evenals vorige zondag hoorden we zojuist enkele verzen van Amos, de profeet van de sociale gerechtigheid bij uitstek. Hij gaat flink tekeer tegen de rijken en stelt het onrecht aan de kaak. Tegen de vrouwen in Samaria zegt hij: Hoort dit woord, gij koeien van Bazan die woont op de berg van Samaria, gij die de geringen verdrukt en de armen vertrapt. Hij spreekt tot het huis van Israël harde woorden maar het wil zich niet bekeren. Zij haten in de poort wie opkomt voor het recht en verafschuwen wie spreekt in oprechtheid, die de geringe vertrapt en de rechtvaardige benauwt. God spreekt: Ik haat, Ik veracht uw feesten en kan uw samenkomsten niet luchten. Ja, als gij Mij brandoffers brengt en uw spijsoffers, heb Ik daaraan geen welgevallen en uw vredeoffer van mestkalveren wil ik niet aanzien. Doe van Mij weg het getier van uw liederen, het getokkel van uw harpen wil Ik niet horen. Maar laat het recht als water golven en gerechtigheid als een immer vloeiende beek.

We mogen God zondags loven en danken met een mooie liturgie. Het Woord uit de Bijbel dat ons toegesproken wordt, moet wel ons hart raken. Het verplicht ons door de week moreel te handelen en te werken aan gerechtigheid en vrede. Zonder deze morele verplichting wordt de liturgie op zondag een leeg en louter esthetisch gebeuren. De bekende Duitse dominee Dietrich Bonhoefer, man van het verzet, heeft eens ten tijde van het Derde Rijk gezegd dat Gregoriaans zingen mooi is als je je maar eerst bekommert om de Joden.
Amos klaagt de rijken aan die onbezorgd in de grootste weelde leven maar zich niet bekommeren om de verbreking van Jozef. Jozef die door zijn broers in de put getrapt wordt en als slaaf verkocht in Egypte komt.
“De verbreking van Jozef” als uitdrukking voor hen die gebroken zijn, kapot gemaakt, uitgebuit, ellendig, arm. Omdat de rijken van Jeruzalem zich niet bekommerd hebben om de armen zullen ze als eersten weggevoerd worden in ballingschap.

De gelijkenis van de rijke man en de arme Lazarus sluit hier naadloos bij aan. De rijke man die iedere dag een feest geeft maar niet omkijkt naar de arme bedelaar die op de stoep van zijn huis ligt. De rijke man die, met de woorden van Amos, zich niet bekommert om de verbreking van Jozef. Is het u wel eens opgevallen dat de rijke man in dit verhaal geen naam heeft. In onze wereld kennen we de rijken bij name uit allerlei tijdschriften. Alle vluchtelingen en armen die we dagelijks op het journaal zien, blijven naamloos. In de Bijbel worden de rollen omgedraaid. De rijke man heeft geen naam maar wel de arme bedelaar. Je zou kunnen zeggen dat de rijke man door zijn levenswijze zijn naam bij God verspeeld heeft. God neemt het op voor de arme en geeft de in onze wereld kansloze en naamloze een naam, Lazarus, wat betekent: God heeft geholpen.

De rijke komt na zijn dood in het dodenrijk waar hij dorst heeft en pijn lijdt. Niet omdat hij rijk is maar omdat hij groot onrecht gedaan heeft, niets van zijn rijkdom heeft weggegeven, niet gedeeld, niet bezorgd is geweest om zijn lijdende medemens. Rijk zijn is op zich niet slecht. De vraag is alleen hoe je aan die rijkdom komt en wat je ermee doet. De arme Lazarus wordt na zijn dood door de engelen gedragen in de schoot van Abraham. De arme krijgt een ereplaats naast Abraham, de vader van het geloof. De arme komt niet in de hemel omdat hij arm is maar omdat hem groot onrecht is aangedaan.
De rijke wordt gepijnigd en ziet Lazarus in de schoot van Abraham en roept: Vader Abraham, heb medelijden met mij en zend Lazarus opdat hij de top van zijn vingers in water dope en mijn tong verkoele want ik lijd pijn in deze vlam. De rijke die zijn naaste niet liefheeft, kan ook God niet liefhebben. Hij heeft Gods geboden met voeten getreden, heeft de band, het verbond met God verbroken. Hij die leeft zonder God noch gebod, niet meer gelooft, staat niet meer in de traditie van Abraham en is geen kind meer van Abraham. Hij kan Abraham niet meer aanspreken met Vader maar doet het brutaal toch. De rijke heeft tijdens zijn leven het goede ontvangen en Lazarus het kwade. Na hun dood keert God de rollen om. Tijdens zijn leven heeft de rijke de scheiding tussen zichzelf en de arme nooit overbrugd. Na de dood is er ook een onoverbrugbare kloof tussen de plaats waar de rijke pijn lijdt en de plaats waar Lazarus vertroost wordt. De rijke vraagt om zijn broers te waarschuwen opdat ze niet op dezelfde plaats terecht komen waar hij pijn lijdt. Maar ook dat gaat niet. Hier op aarde hebben zijn broers de Wet en de profeten, dat wil zeggen de tien geboden die hen de weg wijzen om het goede te doen en de profeten die hen waarschuwen voor misstappen. Als ze daar niet naar luisteren, zullen ze ook niet luisteren als er iemand uit de doden opstaat.

Er is veel onrecht in de wereld waar wij niets aan kunnen doen. Maar het kan toch niet zo zijn dat alle kwaad ongemoeid blijft. Er moet toch eindelijk gerechtigheid zijn. Gevoelsmatig is dit wel de sterkste reden om God te zien als de laatste garant voor gerechtigheid en rechtvaardigheid. God die tenslotte recht zal doen aan de rechtelozen en armen waar wij tekortgeschoten zijn of niet bij machte waren.
Het is niet de bedoeling van deze gelijkenis om ons bang te maken maar ons duidelijk te laten weten dat het hier moet gebeuren. Hier moeten we werken aan recht, rechtvaardigheid en vrede. Het mag niet zo zijn als vroeger waar de arme maar tevreden moest zijn met zijn lot. Stil maar, wacht maar, later na je dood krijg je het beter. Dat is in de negentiende eeuw de grote kritiek van het socialisme op de Kerk geweest. Niet berusten in je lot. Hier op aarde moet je het al beter hebben en niet uitgebuit worden.
De rijken mogen zich niet verrijken ten koste van hun arbeiders die armer worden. Houd de armen niet zoet met een hiernamaals maar geef ze hier waar ze recht op hebben, een betere werkplek, kortere werktijden, goede behuizing en meer loon. Geen bedeling of liefdadigheid, gewoon gerechtigheid.
Mede dankzij de zogenaamde “rode rakkers” is dat in West-Europa werkelijkheid geworden, hebben we een welvaartstaat opgebouwd met zeer goede sociale voorzieningen. Wij zijn de rijken geworden en de armen staan voor onze deur. Mensen die om politieke redenen of vanwege oorlogsgeweld vluchten, tot daar aan toe, maar economische vluchtelingen komen er niet in. Je moet het wel bijzonder slecht hebben als je je leven op het spel zet om als economische vluchteling Europa binnen te komen. Het zijn grote problemen die wij niet kunnen oplossen maar laten we nooit onverschillig worden en onbezorgd door leven, laten we niet zijn als de rijken die door Amos worden aangesproken. We moeten in de kleine kring om ons heen werken aan rechtvaardigheid en niet luisteren naar het gepraat van populisten. Laten wij als Europeanen niet zijn als de rijke man die zich niet bekommert om de arme Lazarus. Amen.
Archief preken