Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

4e zondag veertigdagentijd

Viering: 4e zondag veertigdagentijd

Lezing:

  • Johannes 9, 1.6-9.13-17.34-38

Geschreven door: Pater Paul Begheyn SJ

Uit de tweede eeuw na Christus is een Griekse gedenksteen bewaard gebleven, waarop staat te lezen: ‘Asclepius, de god van de genezing, onthulde aan Valerius Aper, een blinde soldaat: “Neem het bloed van een witte haan, samen met wat honing, en wrijf dit tot een oogzalf, en zalf je ogen drie dagen lang.” En hij ontving het zicht in zijn ogen, en kwam openlijk de god bedanken.’ Dit klinkt ons als christenen wel heel bekend in de oren. Zou die soldaat misschien het evangelie van Johannes gekend hebben, dat in het Grieks geschreven was, zoals trouwens het hele Nieuwe Testament? Meestal is het andersom, en vlochten de bijbelse schrijvers teksten van anderen in hun eigen geschriften, zoals verhalen, legendes en gedichten. Wat in elk geval blijkt uit deze gedenksteen en uit het evangelie van Johannes dat Asclepius en Jezus een blinde man hebben genezen, die op zijn beurt dankbaar is jegens zijn genezer.
De tekst van Johannes, die eigenlijk veel langer is dan wat werd voorgelezen, probeert in een indrukwekkend verhaal te vertellen, hoe je vanuit het donker tot het licht kunt komen, en nog wel tot het licht van de wereld. Zo noemde Jezus zichzelf een hoofdstuk eerder bij Johannes: ‘Ik ben het licht voor de wereld. Als je mij volgt, leef je niet meer in het donker. Dan hoor je bij het licht dat leven geeft.’ (Johannes 8,12)
Tegelijkertijd wordt in dit verhaal zichtbaar hoe de genezen blindgeborene weerstand oproept net zoals Jezus zelf. Je zou haast kunnen zeggen: wie kiest voor Jezus, vraagt om problemen. De boosdoeners zijn opnieuw de farizeeën, die nooit de zon in het water kunnen zien schijnen, en altijd zuur reageren. Het is een schoolvoorbeeld van jaloezie. Zij misgunnen een ander zijn geluk, zijn genezing, zijn bevrijding. En zoals altijd komen ze aanzetten met juridische argumenten, of wat nog veel erger is, met goddelijke verboden. Jezus begaat in hun ogen een onvergeeflijke fout, omdat hij zich niet houdt aan de sabbat. En op de sabbat mag je nou eenmaal geen modder maken (dat is slafelijke arbeid) en evenmin genezen. Wat Johannes er niet bij zegt is dat speeksel volgens de religieuze traditie onreinheid overbrengt (Leviticus 15,8).
Hoe vaak heeft Jezus niet het verwijt gekregen dat hij de sabbat heeft geschonden! En hoe vaak heeft hij niet gereageerd met te zeggen: ‘De sabbat is gemaakt voor de mens. De mens is niet gemaakt voor de sabbat.’ (Marcus 2,27) Dit zou niet alleen een basisregel in ons geloof moeten zijn, maar ook in onze manier van oordelen en opvoeden.
De blindgeborene kan weer zien omdat hij gezien werd door Jezus. Nogal eens is het begin van een genezing dat je gezien wordt. Gezien worden haalt je uit je isolement, en laat je weer deel uitmaken van de gemeenschap. ‘Wie niet weg is, is gezien’, was de tekst van een kinderspelletje uit mijn jeugd. Als anderen langs je heen kijken, word je eenzaam.
Wat betekent het dat je weer kunt zien? De Amsterdamse dominicaan Jan Nieuwenhuis van de Dominicuskerk in de Spuistraat heeft in 2004 een boek van bijna duizend bladzijden geschreven, getiteld Johannes de Ziener. Daarin schrijft hij de volgende behartenswaardige woorden: ‘Zien betekent in heel de Schrift: weten, betrokken zijn, ter harte nemen, opkomen voor. Zien is het zien van God: God zag onze ellende, onze slavernij en hij kende. Zien is: alles zien. Alles moeten aanzien. En daar niet onverschillig voor blijven. Zien is dus in de taal van Israël: de knop niet omdraaien, willen weten, tegen alle weerstand en luiheid in, je ogen opensperren en je blik niet afwenden. Zien is: inzicht hebben in deze wereld, in de machtsverhoudingen en de slachtoffers daarvan. Weten van God is weten van de verworpenen. De slavernij zien, zien wat gebeurt, én: dat inzicht willen vormen, het oefenen, in je relaties, je politieke keuze, in de prioriteiten die je stelt. Dat ‘zien’is niet alleen maar waarnemen, doch ook laten inwerken. Het is het zien, het betrokken zien met de ogen van God.’ (blz. 192-193). De ware gelovige is dus een ziener, met alle elementen die zojuist werden opgenoemd.
Het is vandaag zondag Laetare, waarop we vieren dat de vastentijd halverwege is en het Paasfeest nabij. Vanaf de negende eeuw had deze zondag een feestelijk karakter. Het woord Laetare (verheug u) is het eerste woord uit het Latijnse intredelied van de Mis. In vertaling luidt het: ‘Laat allen die Jeruzalem liefhebben, zich met haar verheugen en om haar juichen. Laat allen die om haar treuren, nu samen met haar jubelen.’
Eigenlijk zou ik nu een stilte moeten inlassen, zodat u bij uzelf kunt nagaan waar u blij om bent. Maar dat kunt u ook na de viering doen, op de fiets, in de auto, thuis. Maar laat ik enkele suggesties doen. Bijna 90 procent van alle Nederlanders geeft aan zich gelukkig te voelen én we staan op de zesde plaats van de lijst van de gelukkigste landen ter wereld. En Lisette heeft een enorme lijst van dingen waar ze gelukkig van wordt. Een greep uit die lijst: ‘Ik word blij van de zon, chocola, verrassingen, aandacht en complimentjes, van mijn hangmat, van kunst, theater, musea, van de kringloopwinkel, het geluid van de ijscoboer, de zachte wangen van mijn dochter en de wipneus en knuffels van mijn zoons.’ Het ga u goed.
Archief preken