Parochie De Vier Evangelisten Amsterdam 
 
 
 

Emaus

Viering: OVERWEGING OP DE DERDE ZONDAG VAN PASEN

Lezing:

  • Lucas 24, 13-35

Geschreven door: Paul Begheyn SJ

Een paar dagen geleden had ik een lang en moeizaam gesprek met een jonge man, die niet lekker in zijn vel zat. Als je niet beter wist, zou je denken dat hij alles meehad: goed verstand, mooie baan, sympathiek voorkomen, gevoel voor humor, een levend geloof, en sinds kort eindelijk een eigen parkeerplaats op een van de grachten. Een geslaagde yup, zoals er veel in onze stad rondlopen en rondrijden. Maar hij was boos, en niet voor de eerste keer. Al een paar jaar loopt hij rond met woede in zijn lijf. En dit soort vulkanen spuwt verwijten naar alle kanten: de ander is de schuld van alles, de regering bakt er niets van, zijn collega’s hebben geen oor voor de briljante ideeën van deze man. Ik aanhoorde zijn verhaal dat steeds verder bergafwaarts ging, en dat eindigde met een dreigement: ‘Ik denk er sterk aan om te gaan emigreren en een eind te maken aan mijn relatie.’ (Het was een relatie waarvoor hij twintig jaar geleden gekozen had.) Wat hij wilde was weg van hier, weg van zichzelf, weg van iedereen. Alles wat ik er tegenin bracht was gesproken voor dovemansoren. Naarmate de nacht dichterbij kwam en de drank rijkelijker vloeide, werd het uitzichtlozer. Op een gegeven moment ben ik opgestapt, naar huis en naar bed gegaan. Pas de volgende dag viel me te binnen wat ik eigenlijk had moeten vragen: ‘Wanneer heb je voor het laatst gebeden?’
Deze man is de hedendaagse versie van Kleopas uit het evangelie van vandaag. Hij vlucht uit de stad waar hij thuishoort, Jeruzalem. Hij gaat op weg naar een dorp, dat Emmaüs heet. Van dat dorp weten de Bijbelgeleerden en archeologen zo weinig, dat je je kunt afvragen of het ooit wel bestaan heeft en of het niet eerder een hersenschim of luchtkasteel is. En onze vriend Kleopas heeft een compagnon gevonden in een man, van hetzelfde laken een pak, een meeloper zonder naam. Je ziet ze lopen, je hoort ze praten. Over het verleden, en hoe goed dat was, en dat het nu allemaal niets meer is. ‘Hun blik was vertroebeld’, schrijft Lucas. Dat betekende dat ze niet alleen Jezus niet herkenden, maar dat ze in figuurlijke zin niets meer zagen.
Wat moet je doen als je tussen zulke mensen inloopt? Wat kan Jezus doen? Wat kun je doen als ouder, als partner, als pastor? Vragen, en nog eens vragen, en vooral luisteren: ‘Waar lopen jullie toch over te praten?’ En dan bereid zijn om de hele lawine van boosheid en onredelijkheid over je heen te krijgen, een tsunami van verdriet en verwijten. Het enige perspectief dat hun een uitweg had kunnen bieden, doen ze af als kletskoek van vrouwen. Kleopassen zijn moeilijke en bittere mannen, ook al zijn ze leerlingen van Jezus.
Jezus hoort wat Kleopas & Co zeggen, hij ontvangt hun verdriet en frustraties, maar hij voegt er een nieuwe dimensie aan toe. Hij biedt een bedding aan hun ogenschijnlijk mislukte leven, niet door het glad te strijken of goed te praten. Hij komt met een shocktherapie in de vorm van een confrontatie: ‘Hebben jullie dan zo weinig verstand en zijn jullie zo traag van begrip?’ Hij wijst hen op hun beperkte blikveld en op hun zwartkijkerij. Hij biedt nieuwe perspectieven, en plaatst hun leven in de brede context van hun geloof. ‘Jezus verklaarde hun wat er in al de Schriften over hem geschreven stond, en hij begon met Mozes en de Profeten.’ Dat wil zeggen, Jezus begon met hen van voren af aan, bij het boek Genesis. Daarin staat te lezen hoe het leven in beginsel bedoeld is, en dat God het leven van elke mens heeft gewild. In de boeken van de profeten valt te horen hoe God een uitweg wijst uit de uitzichtloos lijkende realiteit, en een andere blikrichting biedt.
Maar het belangrijkste feit in het evangelie van Lucas is de ontmoeting in Emmaüs, in dat dorp van niks. Daar is de bron van herkenning en letterlijke ommekeer. Genezing van je ziel en van je hart is altijd gekoppeld aan de herkenning van een ooit bevrijdende ervaring. O ja, zo was het toen ik nog gelukkig was. Kleopas en zijn vriend herkennen – eindelijk en Godzijdank – een typisch gebaar van Jezus: hij breekt met anderen het brood. Sommige Bijbelgeleerden zien daarin een verwijzing naar de eucharistie. Maar wellicht is dat een brug te ver. Vermoedelijk gaat het eerder om het simpele gebaar, dat Jezus ons voorhoudt: het leven kan alleen maar geleefd worden als we het met elkaar delen.
Het verhaal van de zogenaamde Emmaüsgangers is meer dan het verhaal over een mens die terugkeert op zijn schreden, en alsnog een bevrijdende weg inslaat. Dat element zit er zeer zeker ook in. Om bevrijding te vinden kun je niet van jezelf weglopen; je zult je verlossing alleen maar vinden in de stad waar je thuishoort.
Maar het verhaal van de Emmaüsgangers is ook wezenlijk het verhaal van de inhoud en de vorm van ons geloof. Geloven is niet het aanvaarden van een eens gegeven betonnen blok van waarheden. Geloven heeft in wezen te maken met het willen doormaken van leven en dood. Geloof gaat hand in hand met geduld, ontroering, overgave. Geloof staat ver af van organisatie, controle, quasi-zekerheid. Geloof heeft alleen maar mogelijkheden, waar mensen vertrouwen hebben in de relatie met de diepere laag van ons leven, in de relatie met anderen, en uiteindelijk met die Totaal Andere, die wij God noemen, en die tegelijkertijd inniger in ons is dan onze eigen innigste binnenkant. In onze relatie met een andere mens, maar ook en vooral in onze relatie met God kunnen we alleen maar waarachtig zijn, als we daarin een geheim tegemoet willen treden. Pas toen de zogenaamde Emmaüsgangers zich openstelden voor het geheim van die derde man in hun midden, herkenden ze iets van hun oorspronkelijke kracht en inspiratie. En op basis daarvan kregen ze het lef om terug te keren naar de stad waar ze thuishoorden en daar een boodschap van bevrijding te brengen.
De vraag en uitdaging aan ons is: Wil je ophouden met weg te vluchten voor je roeping? Ben je bereid om Jezus te herkennen? Ben je bereid om je over te geven aan een God die jou gewild heeft van meet af aan?
Ik wil besluiten met enkele zinnen uit een van de eerste toespraken van paus Franciscus, die ons kunnen helpen: 'Weest niet mensen van droefheid: een christen kan nooit bedroefd zijn! Geef niet toe aan ontmoediging. Onze vreugde komt niet van het hebben van veel bezittingen, maar komt van het feit dat wij een persoon hebben ontmoet, Jezus, die in ons midden is. Onze vreugde komt van het feit dat wij weten dat met Hem wij nooit alleen zijn, zelfs op moeilijke momenten, zelfs wanneer wij op onze levenstocht problemen en obstakels tegenkomen die onoverwinnelijk lijken, en dat zijn er vele.'
Amen.
Archief preken